Bijna een derde van de verpleeghuisbewoners verhuist tijdens het verblijf minstens één keer naar een andere kamer, afdeling of locatie. Vooral in de eerste vier maanden na opname komen individuele verhuizingen veel voor. Dat blijkt uit het landelijke RELOCARE onderzoek. De onderzoekers vragen om betere voorbereiding, meer zeggenschap voor bewoners en ondersteuning van zorgmedewerkers voor, tijdens en na de verhuizing.

De eindrapportage, gedateerd februari 2026, bundelt onderzoek van de zes Samenwerkende Academische Netwerken Ouderenzorg. De Academische Werkplaats Ouderenzorg Limburg leidde het project, dat in augustus 2020 begon en mede mogelijk werd gemaakt door het ministerie van VWS. De onderzoekers analyseerden zorggegevens en spraken met bewoners, naasten, zorgprofessionals en andere betrokkenen.

Opnieuw verhuizen kort na opname

Voor het onderzoek naar de frequentie van verhuizingen gebruikten de onderzoekers gegevens van 26.060 bewoners. Van hen verhuisde 22,4 procent één keer tijdens het verblijf, 6,6 procent twee keer en 2,9 procent drie keer of vaker. Samen gaat het om bijna 32 procent van de onderzochte bewoners.

Gemiddeld vonden 36 verhuizingen per 100 bewoners per jaar plaats. Dat cijfer telt verhuisbewegingen en is dus niet hetzelfde als het percentage bewoners dat verhuist. Ongeveer driekwart van de verhuizingen betrof een individuele bewoner. Bij een kwart verhuisde een groep, bijvoorbeeld vanwege nieuwbouw of renovatie.

In de eerste vier maanden na opname was de kans op een individuele verhuizing ongeveer drie keer zo hoog als in latere perioden. Juist wanneer een bewoner nog moet wennen aan het verpleeghuis, volgt dus relatief vaak opnieuw een verandering van woonplek.

Verband met achteruitgang, oorzaak niet vastgesteld

Een afzonderlijke analyse onder 8.603 bewoners uit 167 Nederlandse verpleeghuizen onderzocht het verband tussen verhuizingen en gezondheid. Van deze bewoners waren er 1.250 verhuisd.

Na correctie voor verstorende factoren hadden verhuisde bewoners ongeveer 1,8 keer zoveel risico op achteruitgang in zelfstandigheid bij dagelijkse handelingen. Het risico op cognitieve achteruitgang was ongeveer 1,3 keer zo hoog als bij bewoners die niet verhuisden.

Deze uitkomsten bewijzen niet dat de verhuizing de achteruitgang veroorzaakte. Een verslechterende gezondheid kan ook aanleiding zijn geweest voor de verhuizing. De beschikbare metingen konden onvoldoende vaststellen of die achteruitgang al vóór de verhuizing was begonnen.

Voor sterfte en achteruitgang in stemming vonden de onderzoekers na correctie geen verhoogd risico. Bij de meerderheid van de verhuisde bewoners bleven de gemeten scores voor stemming, cognitie en dagelijkse zelfstandigheid gelijk.

Groepsverhuizing geeft een ander beeld

In een ander deelonderzoek volgden de onderzoekers 97 bewoners die vanuit een regulier verpleeghuis naar een vernieuwende woonvorm verhuisden. Zij werden een maand vóór, een maand na en zes maanden na de verhuizing onderzocht.

Op twee van de vier onderzochte locaties namen depressieve klachten kort na de verhuizing tijdelijk toe. Na zes maanden vonden de onderzoekers geen significante veranderingen ten opzichte van vóór de verhuizing in cognitie, dagelijkse zelfstandigheid of depressieve symptomen.

Ook activiteiten en sociale interactie veranderden nauwelijks. Een nieuw gebouw of een huiselijke inrichting leverde in dit onderzoek dus niet vanzelf een actiever dagelijks leven op. Volgens de onderzoekers vraagt dat ook om veranderingen in de werkwijze en zorgcultuur.

Eigen spullen en vertrouwde gezichten geven houvast

De gesprekken en observaties laten zien hoe verschillend bewoners een verhuizing beleven. Sommigen voelen angst of verdriet, anderen kijken uit naar meer privacy of een prettigere kamer. Bewoners hechten aan hun eigen spullen, contact met vertrouwde mensen en invloed op dagelijkse beslissingen.

Als medewerkers of familieleden persoonlijke bezittingen inpakken zonder dat de bewoner begrijpt wat er gebeurt, kan dat onrust veroorzaken. Sommige bewoners dachten dat hun spullen waren gestolen. Herkenbare meubels, foto's en andere bezittingen op de nieuwe kamer konden juist geruststellen.

Ook naasten hebben duidelijke afspraken nodig. Zij helpen vaak met inpakken, uitleg geven en geruststellen, maar weten niet altijd wat de organisatie van hen verwacht. Personeelswisselingen en onduidelijkheid over een aanspreekpunt kunnen het contact na de verhuizing bemoeilijken.

Zorgmedewerkers moeten zelf ook wennen

Voor medewerkers kan een verhuizing samengaan met nieuwe technologie, een andere taakverdeling en een gewijzigde visie op zorg. Zij moeten bewoners begeleiden terwijl zij zelf nog zoeken naar routes, routines en overzicht.

Het rapport beschrijft stress en onzekerheid bij medewerkers die meeverhuisden naar een nieuwe woonomgeving. De onderzoekers adviseren om teams vooraf te betrekken bij de inrichting en werkwijze. Ook training, heldere verantwoordelijkheden en ondersteuning tijdens de overgang zijn nodig.

Voor bewoners is continuïteit van personeel belangrijk. Een verhuisplanning moet daarom ook rekening houden met de beschikbaarheid van vertrouwde medewerkers in de weken na de verhuizing.

Eerder passende woonzorg organiseren

Het grote aantal verhuizingen kort na opname roept volgens de onderzoekers vragen op over de organisatie van ouderenzorg. Een mogelijke verklaring is dat ouderen pas bij een crisis worden opgenomen. De eerste beschikbare plek sluit dan niet altijd aan bij hun behoeften, waardoor later opnieuw een verhuizing volgt.

De onderzoekers pleiten daarom voor vroegtijdige signalering en tijdige gesprekken over passende woonzorg. De verhuiscijfers bewijzen niet dat langer thuis wonen deze extra verhuizingen veroorzaakt, maar geven wel aanleiding om de route naar een passende woonplek kritisch te bekijken.

Dit sluit aan bij het eerdere Zorgjob artikel over de verschuiving van ouderenzorg naar huis en de zwaardere zorgvraag in verpleeghuizen. Afstemming tussen wijkverpleging, huisartsenzorg en verpleeghuizen is daarbij van belang.

Meer deskundigheid op de huidige woonplek

Ook organisatorische keuzes kunnen tot verhuizingen leiden. Denk aan aparte afdelingen voor bewoners met ernstige gedragsproblemen. Wanneer de zorgvraag verandert, kan een bewoner daardoor naar een andere afdeling moeten.

Gespecialiseerde afdelingen kunnen passende expertise en veiligheid bieden. Tegelijk adviseren de onderzoekers om te onderzoeken wanneer specialistische ondersteuning op de bestaande woonplek mogelijk is. Mobiele expertiseteams, consultatie en scholing van zorgteams kunnen daarbij helpen. Zo kan een verhuizing mogelijk worden voorkomen.

Verhuisbox ondersteunt bewoners en zorgteams

Het project ontwikkelde samen met bewoners, naasten en professionals de verhuisbox Samen uit, Samen thuis. Deze bevat onder meer een tijdlijn, activiteitenkaarten, gespreksonderwerpen en hulpmiddelen om persoonlijke spullen te ordenen en herkenbaar te maken.

De hulpmiddelen ondersteunen de voorbereiding, de verhuizing en het wennen op de nieuwe plek. Eerste praktijktesten met prototypes in drie verpleeghuizen waren positief over de bruikbaarheid. Vervolgonderzoek moet de effecten en bredere toepasbaarheid verder beoordelen.

Voor zorgteams volgen uit het rapport concrete aandachtspunten.

  • Bespreek vooraf wat de bewoner wil weten en waarover deze wil meebeslissen.
  • Spreek af wie persoonlijke spullen inpakt en wie de bewoner begeleidt.
  • Zorg voor een duidelijk aanspreekpunt voor naasten.
  • Behoud vertrouwde gezichten en gewoonten tijdens de overgang.
  • Geef medewerkers tijd om de nieuwe omgeving en werkwijze te leren kennen.
  • Volg na de verhuizing hoe de bewoner zich voelt, functioneert en contact maakt.
  • Plan een evaluatie met de bewoner, naasten en het zorgteam.

Daarmee loopt de begeleiding door nadat de verhuisdozen zijn uitgepakt. Juist in de periode daarna moet blijken of de bewoner zich veilig voelt en de zorg op de nieuwe plek aansluit bij diens behoeften.

Bron: Universiteit Maastricht