- 05-07-2026
- BLOG
Een korte behandeling in een vroege fase kan bij een deel van de mensen voorkomen dat zij reumatoïde artritis ontwikkelen. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van het LUMC en Erasmus MC. Vooral mensen zonder ACPA-antistoffen, maar met vroege ontstekingen op een MRI-scan, lijken baat te hebben bij snelle behandeling.
Reumatoïde artritis ontstaat meestal niet plotseling. Voordat de diagnose wordt gesteld, kunnen ontstekingen al langere tijd aanwezig zijn. Die ontstekingen zijn dan vaak nog niet zichtbaar aan de buitenkant. Patiënten hebben bijvoorbeeld pijnlijke of stijve gewrichten, moeite met opstarten in de ochtend of klachten die passen bij beginnende reuma. Toch zijn er bij lichamelijk onderzoek nog geen duidelijke gezwollen gewrichten te zien.
Ontvang gratis onze zorgberichten in je mailbox.
Je kunt je op elk moment afmelden via de link onderaan de e-mails die je ontvangt.
Wil je graag weten hoe onze nieuwsbrief eruit ziet? Bekijk hier het archief.
Artsen spreken in die fase van clinically suspect arthralgia, afgekort CSA. Dat betekent dat iemand klachten heeft die verdacht zijn voor beginnende reumatoïde artritis, zonder dat de ziekte al klinisch zichtbaar is. Juist deze vroege fase stond centraal in het TREAT EARLIER-onderzoek.
Het TREAT EARLIER-onderzoek werd uitgevoerd door het LUMC en Erasmus MC, samen met ziekenhuizen in Zuidwest-Nederland. De onderzoekers wilden weten of behandeling al zin heeft voordat reuma duidelijk zichtbaar wordt met gezwollen en ontstoken gewrichten.
Tot nu toe begint de behandeling meestal pas zodra de diagnose reumatoïde artritis vaststaat. Vaak krijgen patiënten dan methotrexaat, een ontstekingsremmend medicijn dat in de reumatologie veel wordt gebruikt. Het onderzoek draaide om de vraag of een korte behandeling met methotrexaat eerder in het ziekteproces een blijvend effect kan hebben.
Deelnemers aan het onderzoek hadden vroege gewrichtsklachten en ontstekingen die met een MRI-scan zichtbaar waren. Zij kregen een eenmalige ontstekingsremmende injectie, gevolgd door een jaar methotrexaat of een placebo. Daarna stopte de behandeling. De deelnemers werden vervolgens vijf jaar gevolgd.
Het belangrijkste verschil werd gezien bij mensen zonder ACPA-antistoffen. ACPA zijn autoantistoffen die bij een deel van de mensen met reumatoïde artritis in het bloed voorkomen. Bij mensen zonder deze antistoffen is de diagnose vaak lastiger te stellen. Toch heeft bijna de helft van de mensen met vroege reuma geen ACPA-antistoffen.
Juist in deze groep liet vroege behandeling een duidelijk effect zien. Van de mensen zonder ACPA-antistoffen die vroeg werden behandeld, kreeg 9 procent uiteindelijk reumatoïde artritis. In de placebogroep was dat 32 procent. Volgens de onderzoekers betekent dit dat door vier mensen vroeg te behandelen, gemiddeld één geval van reuma kan worden voorkomen.
Ook hadden deze patiënten minder klachten, zoals pijn en ochtendstijfheid. Sommige deelnemers werden langdurig klachtenvrij. Daarmee gaat het onderzoek niet alleen over het voorkomen van een diagnose, maar ook over het verminderen van ziektelast in een fase waarin patiënten al duidelijke beperkingen kunnen ervaren.
Bij mensen met ACPA-antistoffen was het beeld anders. Zij hadden soms tijdelijk minder klachten na vroege behandeling, maar op de lange termijn werd reumatoïde artritis niet voorkomen. Dat wijst erop dat reuma niet bij iedereen op dezelfde manier ontstaat.
Volgens de onderzoekers is dit een belangrijk inzicht. Als verschillende vormen van reumatoïde artritis een andere ontstaansroute hebben, vraagt dat ook om verschillende manieren van vroeg behandelen. Voor ACPA-positieve patiënten is daarom vervolgonderzoek nodig naar andere preventieve behandelstrategieën.
Voor zorgprofessionals onderstreept het onderzoek het belang van vroege herkenning. Patiënten met aanhoudende gewrichtspijn, ochtendstijfheid en klachten die passen bij beginnende reuma komen vaak eerst bij de huisarts. In deze fase zijn gezwollen gewrichten soms nog afwezig, waardoor het risico bestaat dat klachten worden afgewacht.
Het onderzoek laat zien dat bij een specifieke groep patiënten juist deze vroege fase kansen biedt. MRI-onderzoek kan helpen om subklinische ontstekingen zichtbaar te maken. Dat zijn ontstekingen die nog niet te zien of te voelen zijn bij lichamelijk onderzoek, maar die wel kunnen wijzen op een verhoogd risico op reumatoïde artritis.
De onderzoekers werken verder aan manieren om vroege diagnose praktischer te maken. Daarbij wordt gekeken naar kortere MRI-scans en inzet van technologie om ontstekingen sneller en efficiënter te herkennen. Het doel is om patiënten met een hoog risico eerder op te sporen en gerichter te behandelen.
De resultaten betekenen niet dat iedere patiënt met gewrichtsklachten direct medicatie moet krijgen. Het onderzoek wijst juist op het belang van selectie. Vroege behandeling lijkt vooral kansrijk bij mensen zonder ACPA-antistoffen, met klachten die passen bij beginnende reuma en met ontstekingen die zichtbaar zijn op MRI.
Voor de reumatologie is dat een belangrijke ontwikkeling. De behandeling van reumatoïde artritis richt zich nu vooral op snelle controle nadat de ziekte is vastgesteld. Dit onderzoek laat zien dat bij een deel van de patiënten mogelijk al eerder kan worden ingegrepen, voordat blijvende ziekte ontstaat.
Daarmee komt preventie van reumatoïde artritis dichterbij. Niet voor alle patiënten, maar wel voor een groep bij wie het ziekteproces vroeg genoeg herkenbaar is. Voor zorgprofessionals betekent dit dat vroege signalen van reuma steeds belangrijker worden in de beoordeling, verwijzing en diagnostiek.
Bronnen: LUMC, TREAT EARLIER, Lancet Rheumatology via ScienceDirect en PubMed.