- 17-07-2026
- NIEUWS
Eenzaamheid is in Nederland een belangrijk aangrijpingspunt voor het verlagen van het risico op dementie. Dat blijkt uit onderzoek van Alzheimer Centrum Limburg van Maastricht University. De onderzoekers brachten voor het eerst in kaart hoe zeven beïnvloedbare risicofactoren zich tussen 2012 en 2022 ontwikkelden en welke bijdrage deze factoren mogelijk leveren aan het aantal dementiegevallen.
De totale bijdrage van de onderzochte factoren bleef in tien jaar vrijwel gelijk. In 2012 kon volgens het rekenmodel 30,9 procent van de dementiegevallen worden toegeschreven aan de zeven factoren. In 2022 was dit 31,1 procent. Eenzaamheid, in het onderzoek gebruikt als benadering van sociale isolatie, leverde de grootste afzonderlijke bijdrage. Daarna volgden onvoldoende bewegen en depressie.
Ontvang gratis onze zorgberichten in je mailbox.
Je kunt je op elk moment afmelden via de link onderaan de e-mails die je ontvangt.
Wil je graag weten hoe onze nieuwsbrief eruit ziet? Bekijk hier het archief.
De uitkomsten maken duidelijk dat dementiepreventie niet alleen gaat over stoppen met roken, gezond eten en voldoende bewegen. Ook mentale gezondheid, sociale verbondenheid en bestaanszekerheid verdienen een vaste plaats in preventie en zorg voor ouderen.
De onderzoekers gebruikten gegevens uit vier edities van de Nederlandse Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen. Het ging om de jaren 2012, 2016, 2020 en 2022. Per meetjaar bestond de uiteindelijke onderzoeksgroep uit ongeveer 302.000 tot 409.000 volwassenen.
Zeven beïnvloedbare risicofactoren werden verdeeld over verschillende levensfasen.
Voor sociale isolatie waren geen directe gegevens beschikbaar. De onderzoekers gebruikten daarom scores op de De Jong Gierveld Eenzaamheidsschaal als benadering. Dit is een belangrijk onderscheid. Eenzaamheid is een persoonlijke ervaring van onvoldoende verbondenheid. Sociale isolatie gaat meer over het feitelijke aantal en de frequentie van contacten. Iemand kan veel contacten hebben en zich toch eenzaam voelen.
Het aandeel 65-plussers dat boven de gebruikte grenswaarde voor eenzaamheid uitkwam, steeg van 44,2 procent in 2012 naar 49,1 procent in 2022. Deze stijging droeg eraan bij dat eenzaamheid in het model de grootste bijdrage leverde aan het dementierisico op bevolkingsniveau.
Ook andere ongunstige factoren namen toe. Het aandeel mensen van middelbare leeftijd met onvoldoende beweging steeg van 40,0 procent naar 44,5 procent. Obesitas nam toe van 15,1 procent naar 18,9 procent. Ook de bijdrage van depressie liep op.
Tegelijkertijd waren er gunstige ontwikkelingen. Het aandeel rokers daalde van 22,6 procent naar 15,5 procent. Overmatig alcoholgebruik daalde van 36,4 procent naar 26,5 procent. Ook een laag opleidingsniveau kwam minder vaak voor.
De positieve en negatieve veranderingen hielden elkaar grotendeels in evenwicht. Daardoor nam de totale berekende bijdrage van beïnvloedbare factoren aan dementie niet af.
De cijfers betekenen niet dat 31 procent van alle dementiegevallen met zekerheid kan worden voorkomen. De onderzoekers berekenden een zogeheten populatie-attributieve fractie. Dit is een modelschatting van het aandeel ziektegevallen dat samenhangt met bepaalde risicofactoren, onder de aanname dat deze verbanden oorzakelijk zijn en dat de factoren kunnen worden verminderd.
Het onderzoek toont verbanden op bevolkingsniveau, maar bewijst geen directe oorzaak en gevolgrelatie. De gegevens zijn op één moment per onderzoeksjaar verzameld. Het is daardoor ook mogelijk dat beginnende cognitieve problemen leiden tot minder activiteit, terugtrekgedrag of een groter gevoel van eenzaamheid.
Daarnaast waren slechts zeven van de veertien internationaal erkende beïnvloedbare risicofactoren beschikbaar. Factoren zoals gehoorverlies, hoge bloeddruk, diabetes, luchtvervuiling, traumatisch hersenletsel, onbehandeld gezichtsverlies en een verhoogd LDL-cholesterol konden niet worden meegenomen.
Het onderzoek laat duidelijke verschillen zien tussen bevolkingsgroepen. Mensen met een lager huishoudinkomen hadden een hogere gezamenlijke bijdrage van risicofactoren dan mensen met een hoger inkomen. Ook bij migranten van de eerste generatie waren de berekende percentages hoger.
Tussen mannen en vrouwen waren de verschillen kleiner. Mannen hadden in de meeste onderzoeksjaren een iets hogere score, maar de totale uitkomsten waren vergelijkbaar. De onderzoekers vonden daarnaast regionale verschillen, al wisselden de regio’s met de hoogste en laagste percentages per meetjaar.
Deze verschillen wijzen erop dat algemene leefstijladviezen niet voor iedereen even goed werken. Wie weinig geld heeft, slecht ter been is, in een onveilige buurt woont of geen passend sociaal netwerk heeft, kan minder gemakkelijk gezond bewegen of deelnemen aan activiteiten. Preventie vraagt daarom ook om aandacht voor vervoer, wonen, inkomen, taal, toegankelijkheid en de inrichting van buurten.
Zorgprofessionals kunnen eenzaamheid behandelen als een relevant gezondheidssignaal. Een enkele vraag naar het aantal contacten is daarbij niet genoeg. Het gaat ook om de kwaliteit van relaties, het gevoel erbij te horen en de mate waarin iemand steun ontvangt.
Praktische aandachtspunten zijn.
Een standaardverwijzing naar een koffieochtend of activiteit is niet altijd voldoende. Een interventie werkt alleen wanneer deze aansluit bij de behoefte, mogelijkheden, taal, cultuur en interesses van de persoon. Sommige mensen hebben behoefte aan praktische ondersteuning om ergens te komen. Anderen hebben behandeling nodig voor depressie, rouw of angst voordat zij opnieuw sociale contacten kunnen opbouwen.
Het onderzoek gebruikt een levensloopperspectief. Dat betekent dat preventie niet pas moet beginnen wanneer iemand ouder is of geheugenklachten krijgt. Onderwijs, mentale gezondheid, beweging, gewicht, roken en alcoholgebruik spelen al eerder in het leven een rol.
Voor de zorg betekent dit dat dementiepreventie kan worden verbonden met bestaande programma’s voor gezonde leefstijl, valpreventie, cardiovasculair risicomanagement, mentale gezondheid en kwetsbare ouderen. Sociale gezondheid hoort daarbij als volwaardig onderdeel.
De onderzoekers pleiten vooral voor gerichte maatregelen die gezondheidsverschillen niet vergroten. Individuele adviezen blijven belangrijk, maar moeten worden ondersteund door een omgeving waarin gezond en sociaal actief leven haalbaar is.
Het onderzoek maakt eenzaamheid niet tot een eenvoudige of op zichzelf staande oorzaak van dementie. Wel laat het zien dat sociale en mentale factoren zwaar meewegen in het Nederlandse risicoprofiel. Voor zorgprofessionals is dat een duidelijke aanleiding om sociale verbondenheid structureel mee te nemen in anamnese, preventie en zorgplanning.
Door eenzaamheid eerder te herkennen en onderliggende problemen gericht aan te pakken, kunnen zorg en welzijn bijdragen aan een betere kwaliteit van leven. Mogelijk helpt dit ook om cognitieve achteruitgang en dementie op bevolkingsniveau terug te dringen.
Bron: Maastricht University, The Lancet