- 15-06-2026
- BLOG
De hogere maximumtarieven voor de geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg over 2022, 2023 en 2024 mogen met terugwerkende kracht worden toegepast. Dat heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven, CBb, geoordeeld in een zaak tussen zorgaanbieders en de Nederlandse Zorgautoriteit, NZa.
De uitspraak is van belang voor ggz-aanbieders en aanbieders van forensische zorg. Zij kregen eerder gelijk in hun bezwaar tegen te lage tarieven. De NZa stelde daarna nieuwe, hogere maximumtarieven vast, maar wilde voorkomen dat deze tarieven effect zouden hebben op al betaalde declaraties en eerder gesloten contracten met zorgverzekeraars. Volgens het CBb mocht de NZa die beperking niet opnemen.
Ontvang gratis onze zorgberichten in je mailbox.
Je kunt je op elk moment afmelden via de link onderaan de e-mails die je ontvangt.
Wil je graag weten hoe onze nieuwsbrief eruit ziet? Bekijk hier het archief.
De zaak draait om de tarieven die vanaf 2022 golden in de ggz en forensische zorg. In dat jaar werd het zorgprestatiemodel ingevoerd. Onder dit model worden prestaties op een andere manier bekostigd dan onder het oude dbc-stelsel.
Een belangrijk discussiepunt was de indirecte tijd. Dat is tijd die zorgverleners besteden aan werkzaamheden rondom het directe contact met de patiënt. Denk aan verslaglegging, voorbereiding, dossiervoering, overleg met collega’s, afstemming met verwijzers, behandelplanning en administratie.
Onder het oude dbc-stelsel werd deze indirecte tijd apart geregistreerd en vergoed. In het zorgprestatiemodel zit deze tijd verwerkt in de tarieven. Volgens meerdere zorgaanbieders had de NZa daarbij te weinig indirecte tijd meegerekend. Daardoor sloten de tarieven onvoldoende aan op de werkelijke tijd die nodig is om goede zorg te leveren.
Het CBb oordeelde eerder al dat de NZa de tarieven opnieuw moest berekenen. De NZa moest daarbij beter rekening houden met indirecte tijd. Daarna stelde de NZa hogere maximumtarieven vast voor 2022, 2023 en 2024.
De nieuwe tariefbeschikkingen gingen in op 5 december 2024. De NZa nam daarin een beperking op. Volgens die beperking zouden de hogere tarieven geen gevolgen hebben voor declaraties die al waren betaald. Ook zouden de hogere tarieven geen gevolgen hebben voor contracten die zorgaanbieders en zorgverzekeraars al eerder hadden gesloten.
Voor zorgaanbieders was dat een groot bezwaar. Volgens hen zou het herstel van de tarieven dan weinig effect hebben. Zij hadden juist vanaf 2022 te maken gehad met tarieven die volgens de rechter te laag waren vastgesteld.
De aanbieders vonden daarom dat de hogere maximumtarieven moesten gelden vanaf het begin van het jaar waarop ze betrekking hadden. Voor 2022 dus vanaf 1 januari 2022, voor 2023 vanaf 1 januari 2023 en voor 2024 vanaf 1 januari 2024.
Het CBb geeft de zorgaanbieders gelijk. De beperking die de NZa had opgenomen, is volgens het College in strijd met de eerdere opdracht om de tarieven te herstellen. De hogere maximumtarieven vervangen de eerdere, te lage tarieven. Ze moeten daarom gelden vanaf het begin van de jaren waarop ze betrekking hebben.
Het CBb noemt de beperking onrechtmatig en haalt deze uit de tariefbeschikkingen. Daarmee staat vast dat de NZa de terugwerkende kracht niet mocht uitsluiten. De hogere maximumtarieven gelden dus niet pas vanaf 5 december 2024, maar vanaf 1 januari van het betreffende jaar.
De uitspraak is definitief. Het CBb is in deze zaak de hoogste rechter.
Voor ggz-aanbieders en aanbieders van forensische zorg ontstaat meer ruimte om terug te kijken naar de jaren 2022, 2023 en 2024. De hogere maximumtarieven kunnen niet meer worden beperkt met het argument dat oude declaraties of oude contracten buiten beeld blijven.
Dat betekent niet automatisch dat iedere aanbieder direct een nabetaling krijgt. Maximumtarieven zijn bovengrenzen. Wat een aanbieder daadwerkelijk ontvangt, hangt af van contractafspraken, ingediende declaraties, afspraken met zorgverzekeraars en de juridische positie per aanbieder.
Wel haalt de uitspraak een belangrijk formeel obstakel weg. Zorgaanbieders kunnen nu beter onderbouwen dat de herstelde tarieven ook relevant zijn voor de jaren waarin de te lage tarieven golden.
Voor instellingen kan dit aanleiding zijn om oude contractjaren opnieuw te bekijken. Vooral aanbieders die in 2022, 2023 en 2024 onder druk hebben gecontracteerd of lagere tarieven hebben geaccepteerd, zullen willen nagaan welke ruimte er is voor aanvullende betaling.
Een aantal zorgaanbieders heeft ook om schadevergoeding gevraagd. Zij stellen dat de te lage tarieven hebben geleid tot lagere contracttarieven met zorgverzekeraars. Over die schadeverzoeken heeft het CBb nog geen inhoudelijk oordeel gegeven.
De aanbieders krijgen eerst de gelegenheid om hun schadeclaims verder te onderbouwen. Dat onderdeel van de zaak blijft dus open.
De uitspraak van 16 juni 2026 gaat vooral over de vraag of de hogere maximumtarieven terugwerkende kracht hebben. Het antwoord daarop is duidelijk. De NZa mocht die terugwerkende kracht niet uitsluiten.
De uitspraak raakt niet alleen bestuurders, juristen en financiële afdelingen. Ook voor zorgprofessionals is de zaak relevant. Het CBb bevestigt dat tarieven in de ggz en forensische zorg voldoende rekening moeten houden met de tijd die nodig is om zorg goed te organiseren en uit te voeren.
In de praktijk bestaat ggz niet alleen uit direct contact met de patiënt. Behandelaren besteden veel tijd aan verslaglegging, diagnostiek, overleg, risicotaxatie, behandelplannen, multidisciplinair overleg en afstemming met andere professionals. Die werkzaamheden zijn nodig voor veilige en verantwoorde zorg.
Als deze indirecte tijd onvoldoende wordt meegenomen in de bekostiging, ontstaat druk op organisaties en behandelaren. Instellingen krijgen dan minder financiële ruimte voor werk dat wel moet gebeuren. Dat kan bijdragen aan werkdruk, productiedruk en spanning tussen zorginhoud en bekostiging.
De komende periode moet duidelijk worden hoe zorgaanbieders, zorgverzekeraars en andere betrokken partijen omgaan met de terugwerkende kracht. De uitspraak kan leiden tot nieuwe gesprekken over oude contractjaren, aanvullende betalingen en schadeclaims.
Voor de dagelijkse zorgverlening verandert er niet direct iets. Behandelaren zullen niet van de ene op de andere dag andere tarieven merken in hun werk. Toch kan de uitspraak financiële gevolgen hebben voor organisaties in de ggz en forensische zorg.
Voor instellingen die al langer wijzen op krappe marges, hoge werkdruk en onvoldoende vergoeding van indirecte tijd, biedt de uitspraak steun. Het CBb maakt duidelijk dat herstel van te lage tarieven niet alleen op papier mag gebeuren. Het herstel moet ook gelden voor de periode waarin de tarieven te laag waren.
De kern is dat de hogere maximumtarieven voor 2022, 2023 en 2024 met terugwerkende kracht gelden. Daarmee krijgen zorgaanbieders meer ruimte om financiële gevolgen uit het verleden opnieuw aan de orde te stellen.
Bron: Rechtspraak.nl