- 16-06-2026
- NIEUWS
Vrijdagavond. Knetterdruk. Precies zo’n dienst waarin je meteen voelt: dit wordt er eentje.
Waar je op de spoedeisende hulp veel van nodig hebt? Geduld. En juist dat is iets wat ik de laatste tijd steeds minder zie. Korte lontjes. Grote ogen als je vertelt dat bloedonderzoek minimaal veertig minuten duurt. Bijna ongeloof als je uitlegt dat een bezoek aan de SEH al snel drie uur kan duren. Alsof ik net heb verteld dat ze een weekendje moeten blijven.
Ontvang gratis onze zorgberichten in je mailbox.
Je kunt je op elk moment afmelden via de link onderaan de e-mails die je ontvangt.
Wil je graag weten hoe onze nieuwsbrief eruit ziet? Bekijk hier het archief.
Recent had ik een jongeman in de triagestoel. Hij had vijfendertig minuten in de wachtkamer gezeten voordat ik hem kon triëren. Wat hij toen nog niet wist, was dat er daarna nog een volgende wachtkamer kwam. En dat de kans groot was dat hij daar nog langer moest wachten.
Hij kwam binnen met zijn zwangere vrouw. De verdenking: een diep veneuze trombose in zijn been. Meneer had duidelijk pijn, dat zag ik meteen. Maar hij was ook zichtbaar geagiteerd. Hij keek me nauwelijks aan, gaf amper antwoord op mijn vragen en liet zijn vrouw vooral het woord doen. Ondertussen zat hij te puffen en keek hij vooral heel chagrijnig voor zich uit.
Tijdens het triëren probeer ik negen van de tien keer een gezellig praatje te maken. Niet omdat het moet, maar omdat ik het oprecht leuk vind. Even horen wat iemand doet, waar iemand vandaan komt, hoe het thuis gaat. Soms gaat er in drie minuten een hele wereld voor je open.
Dus terwijl meneer vooral zweeg, raakte ik gezellig aan de praat met zijn vrouw. Over de zwangerschap, de laatste loodjes en alles wat daarbij komt kijken.
Toen ik bloed ging prikken, keek hij me streng aan en zei dominant: “Ik ben moeilijk te prikken.”
Ik probeerde alsnog een lach op zijn gezicht te krijgen en zei: “Nou, dan is het je geluksdag, want ik ben heel goed in prikken.”
Helaas. Geen glimlach. Nog niet.
Na de triage kreeg hij de kleur groen. Dat betekent dat je in de volgende wachtkamer zomaar twee uur kunt wachten, afhankelijk van wat er binnenkomt. En geloof me: op een vrijdagavond komt er veel binnen.
Ik liep met hem en zijn vrouw richting de wachtkamer en vertelde eerlijk dat het nog even kon duren. Binnen was het ontzettend druk. Hij gaf aan dat hij heel graag een bedje wilde, desnoods op de gang, omdat hij zoveel pijn had.
Ik zei dat ik zou kijken wat ik kon regelen.
Na overleg met mijn collega bleek er toch een kamer vrij te zijn. Ik reed hem naar binnen.
En toen gebeurde er iets moois.
Hij zag vijftien witte jassen door elkaar lopen. Drie ambulances stonden in de rij voor inschrijving. Twee chirurgen kwamen rechtstreeks vanaf de OK voor overleg. Collega’s liepen af en aan. De monitoren piepten. De telefoon ging. Overal gebeurde iets.
Hij keek om zich heen en zei: “Sooo, wat een drukte.”
Ik keek hem aan en zei: “Ja. Sommige mensen zien dit niet als ze via de voordeur binnenkomen. Die zien alleen de wachtkamer en worden boos omdat ze niet snel geholpen worden. Dat is soms jammer.”
Toen verscheen er ineens een beschamende glimlach op zijn gezicht.
“Daar was ik er één van,” zei hij.
En precies dat moment bleef hangen.
Want achter elke gesloten deur gebeurt iets. Achter elk gordijntje ligt iemand met pijn, angst of paniek. Terwijl iemand in de wachtkamer denkt dat er niets gebeurt, rennen wij soms letterlijk van de ene acute situatie naar de andere.
Praat met elkaar. Leg uit. Luister. Communiceer.
Begrip begint vaak pas op het moment dat je ziet wat een ander ziet. En soms is een klein gesprek genoeg om van ongeduld toch een beetje geduld te maken.
Door: Spoedblogger
SEH-verpleegkundige in een traumacentrum voor volwassenen en kinderen.
Waar koffie snel koud wordt en monitoren nooit stil zijn.
Schrijft met liefde over de acute zorg en verhalen die verteld moeten worden