- 10-07-2026
- NIEUWS
Jaarlijks beginnen naar schatting 150 tot 200 tandartsen met een buitenlands diploma in Nederland. Hun bijdrage aan de Nederlandse mondzorg is structureel. De meeste van deze tandartsen willen langdurig in Nederland blijven werken. Ze werken relatief vaak als zzp’er of waarnemer en zijn vaker buiten de Randstad actief dan tandartsen die in Nederland zijn opgeleid.
Dat blijkt uit onderzoek van het Nivel naar de achtergrond, werksituatie en toekomstplannen van buitenlands opgeleide tandartsen. Het onderzoek is uitgevoerd voor de capaciteitsraming van het Capaciteitsorgaan. De uitkomsten worden gebruikt bij het advies over het aantal opleidingsplaatsen voor tandheelkunde in Nederland.
Ontvang gratis onze zorgberichten in je mailbox.
Je kunt je op elk moment afmelden via de link onderaan de e-mails die je ontvangt.
Wil je graag weten hoe onze nieuwsbrief eruit ziet? Bekijk hier het archief.
Aan het begin van deze eeuw kwamen jaarlijks ongeveer 100 buitenlands opgeleide tandartsen op de Nederlandse arbeidsmarkt. In 2023 en 2024 lag het aantal nieuwe BIG-registraties rond de 210 per jaar. Over een periode van twintig jaar werden gemiddeld ongeveer 170 buitenlandse tandartsdiploma’s per jaar toegelaten.
Het Nivel verwacht dat de jaarlijkse instroom voorlopig tussen de 150 en 200 tandartsen blijft liggen. Die verwachting geldt zolang Nederland behoefte houdt aan tandartsen, de arbeidsmarktsituatie in andere landen niet sterk verandert en het toelatingsbeleid grotendeels gelijk blijft.
De instroom is niet ieder jaar hetzelfde. Beleidswijzigingen hebben direct invloed. Na de invoering van strengere taaleisen in 2017 daalde het aantal toelatingen sterk. Vanaf 2019 nam het aantal registraties weer toe. Voor alle buitenlands opgeleide tandartsen geldt inmiddels een eis voor Nederlandse taalvaardigheid op niveau B2+.
Tot ongeveer 2012 kwam een groot deel van de buitenlands opgeleide tandartsen uit België en Duitsland. Inmiddels komt de instroom vaker uit Spanje, Portugal, Roemenië en andere Oost-Europese landen.
Van de Europese diploma’s die in 2024 positief werden beoordeeld, was 20 procent Spaans en 17 procent Portugees. Het aandeel Belgische diploma’s bedroeg 11 procent en het aandeel Duitse diploma’s 5 procent. In 2023 en 2024 kwam ongeveer 40 procent van alle goedgekeurde diploma’s uit een land buiten Europa.
Deze verschuiving hangt onder meer samen met verschillen tussen nationale arbeidsmarkten. Landen als Portugal, Roemenië en Griekenland hebben relatief veel tandartsen per inwoner. Nederland heeft met ongeveer 0,6 tandarts per 1.000 inwoners juist een van de lagere tandartsdichtheden in Europa. Het Nivel waarschuwt wel dat landen niet rechtstreeks te vergelijken zijn. In Nederland hebben mondhygiënisten en andere mondzorgprofessionals bijvoorbeeld een grotere rol dan in veel andere landen.
Buitenlands opgeleide tandartsen kiezen vooral voor Nederland vanwege werk, inkomen en leefomstandigheden. Van de deelnemers aan het onderzoek noemde 26 procent het opdoen van buitenlandse werkervaring. Een kwart wees op slechte economische vooruitzichten in het land waar de opleiding was gevolgd.
Respondenten konden meerdere redenen noemen. Vooral tandartsen met een diploma uit Spanje, Portugal of Roemenië kwamen naar Nederland vanwege de arbeidsmarkt. Bij tandartsen die in België of Duitsland waren opgeleid, speelden een partner of familie in Nederland vaker een rol.
Van de ondervraagde tandartsen werkte 96 procent op het moment van het onderzoek als tandarts in Nederland. De meest voorkomende positie was die van zzp’er of waarnemer. Dit gold voor 58 procent van de respondenten. Daarnaast was 30 procent praktijkhouder en werkte 12 procent in loondienst bij een tandartspraktijk.
Een klein deel werkte in een zorginstelling of onderwijsinstelling. Omdat tandartsen in meerdere werkvormen actief kunnen zijn, tellen de percentages samen op tot meer dan 100 procent.
De verdeling wijkt af van het algemene beeld binnen de beroepsgroep. Buitenlands opgeleide tandartsen zijn minder vaak praktijkhouder en vaker werkzaam als waarnemer. In het Nivel-onderzoek uit 2012 werkte nog slechts 1 procent van deze groep als waarnemer. Dat aandeel is inmiddels sterk gegroeid.
De positie van buitenlands opgeleide tandartsen verandert tijdens hun loopbaan. Tandartsen die korter dan tien jaar in Nederland werken, zijn vaker zzp’er, waarnemer of werknemer. Wie langer in Nederland werkt, wordt vaker praktijkhouder.
Vooral tandartsen met een Belgisch of Duits diploma hebben vaak een eigen praktijk. Binnen deze groep was 53 procent praktijkhouder. Onder tandartsen die in een ander Europees land waren opgeleid, bedroeg dit aandeel 19 procent. Van de tandartsen met een diploma van buiten Europa was 36 procent praktijkhouder.
Dit betekent dat buitenlandse instroom niet alleen zorgt voor tijdelijke inzet in bestaande praktijken. Een deel van deze tandartsen neemt later zelf een praktijk over of begint een eigen praktijk. Daarmee dragen zij ook bij aan de continuïteit van praktijkhouderschap.
De respondenten werkten gemiddeld ongeveer 33 uur per week. Praktijkhouders maakten met gemiddeld 38 uur de meeste uren. Zzp’ers en waarnemers werkten gemiddeld 31 uur en tandartsen in loondienst bij een praktijk gemiddeld 32 uur.
Mannelijke respondenten werkten gemiddeld 35 uur per week. Bij vrouwelijke respondenten was dit 31 uur. Het onderzoek vond geen duidelijk verschil in de werkweek tussen tandartsen die korter of langer dan tien jaar in Nederland verbleven.
Van de buitenlandse tandartsen werkte 65 procent in een sterk of zeer sterk stedelijk gebied. Toch werkte slechts 45 procent in de Randstad. Vergeleken met de totale groep BIG-geregistreerde tandartsen zijn zij relatief vaak actief in Fryslân, Overijssel, Drenthe, Groningen en Zeeland.
In Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht is hun aandeel juist lager dan op basis van de totale verdeling van tandartsen zou worden verwacht. Tandartsen die in België of Duitsland zijn opgeleid, werken het vaakst buiten de Randstad. Tandartsen met een diploma van buiten Europa werken vaker in de Randstad.
Deze regionale spreiding is relevant voor praktijken en beleidsmakers. Buitenlands opgeleide tandartsen leveren niet alleen extra capaciteit, maar kunnen ook helpen bij de personeelsvoorziening in provincies waar het lastiger is om tandartsen te vinden.
De meeste buitenlandse tandartsen werken in een team met verschillende mondzorgprofessionals. Zo werkte 82 procent samen met andere tandartsen. Samenwerking met preventieassistenten kwam voor bij 73 procent van de respondenten en 69 procent werkte met mondhygiënisten.
Daarnaast werkte 45 procent samen met gedifferentieerde tandartsen. Samenwerking met tandprothetici, tandtechnici, orthodontisten en MKA-chirurgen kwam minder vaak voor. De samenstelling van de teams verschilt volgens het onderzoek niet sterk van die in andere Nederlandse tandartspraktijken.
Van de deelnemers gaf 92 procent aan zich blijvend in Nederland te willen vestigen. De respondenten werkten op het moment van de enquête gemiddeld tien jaar in Nederland. Tandartsen met een Belgisch of Duits diploma werkten hier gemiddeld al vijftien jaar.
De intentie om te blijven is hoog, maar cijfers uit CBS-microdata laten zien dat een deel Nederland in de loop van de tijd verlaat. Van de onderzochte groepen woonde na vijf jaar nog 72 procent in Nederland. Na tien jaar was dit 60 procent en na vijftien jaar 56 procent.
Deze percentages zijn belangrijk voor capaciteitsberekeningen. Een nieuwe buitenlandse registratie betekent niet automatisch dat een tandarts gedurende de volledige loopbaan beschikbaar blijft voor de Nederlandse mondzorg.
Bijna zeven op de tien respondenten waren tijdens hun loopbaan in Nederland van baan of praktijk veranderd. Het merendeel wisselde volgens het rapport één keer. Dit kan passen bij een loopbaan waarin een tandarts eerst via een bemiddelingsbureau, loondienstverband of waarneming begint en later doorstroomt naar een vaste positie of een eigen praktijk.
Van de respondenten vond 41 procent de huidige positie via een reguliere sollicitatie. Verder kwam 19 procent via contacten met collega’s aan de baan, werd 15 procent actief door een collega benaderd en vond 17 procent werk via een bemiddelingsbureau.
Voor praktijkhouders laat dit zien dat persoonlijke netwerken en bemiddeling een belangrijke rol spelen bij de werving van buitenlandse tandartsen. Goede begeleiding tijdens de eerste werkjaren kan mede bepalen of zij in een praktijk en in Nederland blijven.
De ondervraagde tandartsen vonden over het algemeen dat hun opleiding goed aansloot bij het werk in Nederland. Zij beoordeelden hun beheersing van het Nederlands gemiddeld met 4,25 op een schaal van 5.
Dat betekent niet dat taalondersteuning overbodig is. Communicatie in de mondzorg gaat verder dan het voeren van een gesprek. Tandartsen moeten behandelopties uitleggen, toestemming vastleggen, medische informatie beoordelen, patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden begeleiden en samenwerken met andere zorgverleners.
Voor praktijken blijft het daarom belangrijk om naast de formele taaltoets aandacht te besteden aan vaktaal, dossiervoering, patiëntcommunicatie, klachtenprocedures en de Nederlandse professionele richtlijnen.
Het Capaciteitsorgaan gebruikt de buitenlandse instroom bij het berekenen van het benodigde aantal opleidingsplaatsen voor tandheelkunde. Hoe hoger de verwachte buitenlandse instroom, hoe lager de berekende behoefte aan nieuwe tandartsen uit Nederlandse opleidingen kan uitvallen.
Daar zit een risico. Buitenlandse instroom hangt samen met arbeidsmarktverschillen, internationale mobiliteit, toelatingsregels en politieke keuzes. Deze factoren kunnen veranderen. Ook blijft na vijftien jaar iets meer dan de helft van de onderzochte buitenlandse tandartsen in Nederland.
Het Nivel adviseert daarom voor de capaciteitsraming te rekenen met een jaarlijkse instroom van 150 tot 200 tandartsen. Voor het aandeel vrouwen wordt een percentage van 52 tot 54 procent voorgesteld. Voor het verwachte behoud rekent het rapport met 94 procent na één jaar, 72 procent na vijf jaar, 60 procent na tien jaar en 56 procent na vijftien jaar.
Voor het onderzoek vulden 535 tandartsen een vragenlijst in. De leeftijd en de landen waarin zij hun diploma behaalden kwamen goed overeen met de gegevens uit de administratie van de KNMT.
Toch kon een groot deel van de doelgroep niet worden bereikt. Van de 2.143 tandartsen in de gebruikte KNMT-administratie hadden 1.401 personen geen bekend of werkend e-mailadres. Mogelijk waren zij niet meer in Nederland werkzaam. Daardoor kan het onderzoek het aandeel tandartsen dat Nederland alweer heeft verlaten onderschatten.
Volgens het BIG-register stonden in mei 2024 ongeveer 2.707 tandartsen met een buitenlands diploma geregistreerd. Een BIG-registratie betekent echter niet automatisch dat iemand op dat moment daadwerkelijk als tandarts in Nederland werkt.
Het onderzoek bevestigt dat buitenlandse tandartsen een vast onderdeel zijn geworden van de Nederlandse mondzorg. Voor praktijken betekent dit dat internationale werving, begeleiding en duurzame inzet onderdeel worden van het personeelsbeleid.
De uitkomsten maken ook duidelijk dat buitenlandse instroom geen volledige oplossing is voor capaciteitsproblemen. Nederland profiteert van internationale mobiliteit, maar blijft afhankelijk van ontwikkelingen waarop de mondzorgsector weinig invloed heeft. Een stabiel personeelsbeleid vraagt daarom om een combinatie van voldoende Nederlandse opleidingscapaciteit, goede regionale spreiding, behoud van bestaande professionals en passende begeleiding van buitenlands opgeleide tandartsen.
Bron: Nivel, Buitenlands gediplomeerde tandartsen in Nederland, resultaten van een literatuur- en vragenlijstonderzoek in 2024.