- 26-03-2026
- NIEUWS
De kraamzorg in Nederland staat onder druk en dat is steeds duidelijker terug te zien in de cijfers. Tussen 2017 en 2023 daalde het gemiddeld aantal geleverde uren kraamzorg met ruim 8 procent. Tegelijk laat het nieuwe rapport van Zorginstituut Nederland zien dat juist gezinnen met een lagere sociaaleconomische positie, jonge moeders en bewoners van achterstandswijken minder kraamzorg ontvangen, terwijl daar de zorgbehoefte vaak juist groter is.
Dat maakt de uitkomst van het rapport extra scherp. Het probleem zit volgens het Zorginstituut niet alleen in de algemene druk op de sector, maar ook in de verdeling van de beschikbare uren. Kraamzorg moet daarom niet alleen beschikbaar blijven, maar vooral passender worden ingezet.
Landelijk daalde het gemiddeld totaal aantal uren kraamzorg, thuis en in het ziekenhuis samen, van 48,3 uur in 2017 naar 44,4 uur in 2023. Dat is een afname van ongeveer vier uur per gezin. Het aantal uren kraamzorg thuis daalde in dezelfde periode van 40,4 uur naar 37,6 uur. Exclusief digitale instructie komt die daling zelfs uit op 3,2 uur.
Het aandeel gezinnen dat helemaal geen kraamzorg ontving bleef in die jaren landelijk stabiel en lag in 2023 op 0,5 procent. Toch betekent dat nog steeds dat ongeveer 800 gezinnen na de bevalling zonder kraamzorg zaten. Belangrijker nog is de groei van de groep die onder het minimum uitkomt. Het aandeel gezinnen dat minder dan 24 uur kraamzorg thuis kreeg, steeg met 3,3 procentpunt. In 2023 kreeg 12,8 procent van de gezinnen thuis minder dan dat minimum.
Voor zorgprofessionals is dat een belangrijk signaal. De vraag is niet alleen of er nog kraamzorg is, maar ook of gezinnen voldoende uren krijgen om medische en psychosociale problemen tijdig te signaleren, ouders te ondersteunen en de overdracht naar andere onderdelen van de geboortezorg goed te laten verlopen.
De verschillen tussen regio’s zijn groot. In 2023 ontvingen gezinnen in het zuiden van Nederland gemiddeld minder kraamzorg dan gezinnen in noordelijke regio’s. Het verschil tussen regio’s liep op tot ongeveer acht uur kraamzorg thuis, ook na correctie voor kenmerken als leeftijd, inkomen, eerdere bevalling en ziekenhuisopname.
Vooral Zuid-Limburg springt eruit. Daar daalde het aantal uren kraamzorg thuis tussen 2017 en 2023 van 39,9 naar 32,4 uur, een daling van bijna 19 procent. Ook in Zuidoost-Brabant, Zeeland, West-Brabant, Midden-Brabant, Noordoost-Brabant, Noord- en Midden-Limburg en de Zuid-Hollandse Eilanden steeg het aandeel gezinnen dat minder dan 24 uur kraamzorg thuis kreeg fors. In Zuid-Limburg nam dat aandeel zelfs toe met 13,1 procentpunt.
De regiokaarten in het rapport maken dat beeld concreet. Vooral Zuid-Limburg en delen van Brabant kleuren ongunstig, zowel bij het gemiddeld aantal uren kraamzorg thuis als bij het risico op minder dan 24 uur zorg. Ook Rotterdam, Amstelland en de Meerlanden en ’t Gooi vallen op, al wordt een deel van die afwijking daar verklaard door kenmerken van de populatie.
De scherpste verschillen zitten in inkomen. Gezinnen in de laagste inkomensgroep ontvingen in 2023 gemiddeld 31,8 uur kraamzorg thuis. In de hoogste inkomensgroep was dat 40,6 uur. Na correctie voor andere kenmerken bleef het verschil tussen de laagste en hoogste inkomensgroep ongeveer 6,7 uur. Dat is meer dan een volledige werkdag aan ondersteuning in de kraamweek.
Ook de kans op heel weinig kraamzorg is bij lage inkomens veel groter. Gezinnen in de hoogste inkomensgroep hadden aanzienlijk minder kans om onder de grens van 24 uur uit te komen dan gezinnen in de laagste inkomensgroep. Volgens het rapport is inkomen daarmee de meest opvallende factor die samenhangt met lager kraamzorggebruik.
Dat verschil staat niet op zichzelf. Inkomen hangt vaak samen met andere factoren, zoals opleiding, migratieachtergrond en de mate waarin gezinnen hun weg weten te vinden in zorg en regelingen. Juist daarom roept het rapport op tot aanvullend onderzoek naar de oorzaken achter deze ongelijkheid.
Niet alleen inkomen maakt verschil. Moeders jonger dan 25 jaar ontvingen gemiddeld 2,6 uur minder kraamzorg thuis dan oudere moeders. Ook wonen in een achterstandswijk hing samen met minder zorg. Gezinnen in deze wijken kregen gemiddeld ongeveer 2,6 uur minder kraamzorg en hadden ongeveer 50 procent meer kans om minder dan 24 uur kraamzorg te ontvangen.
Dat is opvallend, omdat juist deze groepen vaak extra ondersteuning nodig hebben in de eerste dagen na de geboorte. Het rapport bevestigt daarmee een patroon dat al langer in eerdere studies werd gezien, maar nu opnieuw zichtbaar wordt in landelijke declaratiedata over een langere periode.
Voor professionals in de geboortezorg raakt dit direct aan de praktijk. Minder uren bij gezinnen met meer kwetsbaarheden betekent ook minder tijd voor observatie, instructie, signalering van problemen en het versterken van zelfredzaamheid. Dat kan doorwerken in de rest van de eerste duizend dagen.
Een andere opvallende bevinding is dat gezinnen met een ziekenhuisopname thuis weliswaar minder kraamzorg kregen, maar in totaal juist gemiddeld vijf uur meer kraamzorg ontvingen als de zorg in het ziekenhuis wordt meegerekend. Daarmee lijkt het systeem beter ingericht op medische risico’s dan op sociale of sociaaleconomische risico’s.
De voorzieningen in de kraamzorg lijken beter toegerust op indicaties die voortkomen uit medische complicaties dan op indicaties die samenhangen met kwetsbaarheid in het gezin of de leefomgeving. Terwijl juist daar een belangrijk deel van de meerwaarde van kraamzorg ligt.
Het rapport laat zien hoeveel uren zijn gedeclareerd, maar zegt niet precies wat er in die uren is gedaan en of de zorginhoud overal gelijk is gebleven. Ook is niet meegenomen hoeveel extra druk kraamverzorgenden moesten opvangen om deze zorg nog te kunnen leveren. Dat is een belangrijke beperking, want de sector kampt al jaren met personeelstekorten, hoge werkdruk en uitstroom.
Juist daarom zijn de cijfers zorgwekkend. Het aantal uren daalt, het aandeel gezinnen onder het minimum groeit en de verschillen tussen regio’s en groepen nemen toe. Tegelijk stijgt het gebruik van digitale instructie, vooral vanaf 2022. Het rapport laat zien dat die digitale component de daling van fysieke uren deels maskeert. Of die digitale inzet voor alle gezinnen passend is, blijft nog onbeantwoord.
Het rapport zet ook nadrukkelijk vraagtekens bij de rol van de eigen bijdrage. In 2026 bedraagt die 5,70 euro per uur. Bij een standaardpakket van 49 uur komt dat neer op ongeveer 280 euro per kraamweek. Voor gezinnen met een laag inkomen kan dat een serieuze financiële drempel zijn.
Of die eigen bijdrage daadwerkelijk zorgt voor lager gebruik, is met dit onderzoek niet bewezen. Maar het Zorginstituut noemt het wel een logische vervolgvraag. Zeker omdat veldpartijen al langer pleiten voor afschaffing van die bijdrage en omdat juist lage inkomensgezinnen in dit rapport minder zorg blijken te gebruiken.
De kern van het rapport is dat verschillen in zorggebruik niet per definitie verkeerd zijn, zolang ze voortkomen uit passende zorg. Maar daar wringt het nu. Volgens het Zorginstituut moet niet langer een standaard aantal uren leidend zijn, maar de vraag waar een gezin redelijkerwijs op is aangewezen. Die behoefte kan bovendien tijdens de kraamweek van dag tot dag veranderen.
Daarmee schuift het rapport de discussie op van volume naar inhoud. Niet de vraag hoeveel uur standaard geleverd moet worden, maar welke zorg op welk moment nodig is, voor welk gezin en in welke context. Dat vraagt om betere indicatiestelling, meer flexibiliteit in inzet van personeel en meer zicht op de werkelijke zorgbehoefte van verschillende typen gezinnen.
Het Zorginstituut doet meerdere aanbevelingen. De onderbouwing van indicaties moet beter en meer datagedreven worden. Drempels voor kwetsbare gezinnen moeten in kaart worden gebracht. De beschikbare capaciteit moet doelgerichter worden verdeeld. En regionale samenwerking moet worden versterkt, bijvoorbeeld via centrale coördinatie en heldere afspraken tussen aanbieders en verzekeraars.
Voor de praktijk in de geboortezorg betekent dat dat er meer aandacht moet komen voor maatwerk en voor de vraag waar de inzet van kraamzorg het meeste verschil maakt. Niet ieder gezin heeft dezelfde ondersteuning nodig, maar het rapport laat zien dat de gezinnen met de grootste kans op kwetsbaarheid nu juist vaak minder zorg krijgen.
Dit rapport is meer dan een overzicht van declaratiecijfers. Het is een waarschuwing voor de hele geboortezorgketen. Kraamzorg is niet alleen de laatste schakel rond de bevalling, maar ook een belangrijk moment voor preventie, vroege signalering en een goede start voor ouder en kind. Als die zorg schaarser wordt en tegelijk schever verdeeld raakt, heeft dat gevolgen die verder reiken dan de kraamweek alleen.
De boodschap van het Zorginstituut is helder. Kraamzorg moet niet alleen behouden blijven, maar beter terechtkomen bij de gezinnen die er het meest op zijn aangewezen. Zolang dat niet lukt, blijven de dalende uren en de groeiende verschillen een probleem voor de toegankelijkheid en passendheid van de geboortezorg in Nederland.
Abonneer dan gratis op onze attenderingen door aan te melden voor onze nieuwsbrief.