- 11-03-2026
- BLOG

In de wijkverpleging gebeurt al veel om zorg passend en toekomstbestendig te organiseren. Hulpmiddelen die cliënten helpen om zelfstandiger te blijven, zijn inmiddels op grote schaal in gebruik. Tegelijk blijven een paar belangrijke punten achter, zoals intervisie, samenwerking met het sociaal domein en de manier waarop indicaties worden gesteld. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van Nivel onder 405 zorgprofessionals in de wijkverpleging.
Voor veel verpleegkundigen, verzorgenden en verpleegkundig specialisten zal een deel van de uitkomsten herkenbaar zijn. Zo zegt 67,9 procent van de respondenten dat zij iedere werkdag werken met cliënten die hulpmiddelen gebruiken die de zelfredzaamheid kunnen vergroten. Het gaat vooral om hulpmiddelen voor steunkousen en medicijndispensers. Ook oogdruppelhulpmiddelen, elektronisch toegangsbeheer en beeldschermzorg worden veel genoemd. Driekwart van de respondenten vindt dat cliënten door deze hulpmiddelen ook echt zelfstandiger worden.
Tegelijk is de inzet van hulpmiddelen niet vanzelfsprekend eenvoudig. Veel zorgprofessionals lopen tegen weerstand of praktische problemen aan. Zo zegt 43,9 procent dat cliënten vaak niet openstaan voor hulpmiddelen. Ook vinden cliënten hulpmiddelen geregeld te ingewikkeld. In open antwoorden noemen respondenten daarnaast storingen, wachttijden en onduidelijke financiering als knelpunten.
Ook taakverschuiving naar helpenden komt nog niet overal goed van de grond. Bijna twee derde van de respondenten werkt in een organisatie waar helpenden actief zijn. Daar voeren zij vooral persoonlijke verzorging uit en reiken zij vaak medicatie aan. Maar slechts 35,1 procent zegt dat de eigen organisatie echt inzet op meer overdracht van taken naar helpenden. Bij bijna een derde is daar volgens respondenten geen aandacht voor, vaak omdat de zorg te complex is.
Op het gebied van professionele ontwikkeling is het beeld gemengd. De meeste zorgprofessionals volgen wel scholing en voelen zich daarin gesteund door hun werkgever. Toch zegt 46,2 procent dat er te weinig tijd is voor scholing onder werktijd. Voor intervisie geldt hetzelfde. Bijna een derde deed het afgelopen halfjaar helemaal niet aan intervisie. Ook intercollegiale toetsing bij indicatiestelling gebeurt lang niet altijd, terwijl dat juist belangrijk is voor vakontwikkeling en kwaliteit.
De samenwerking met huisartsen, apotheken en paramedici loopt volgens veel respondenten redelijk goed. Met professionals uit het sociaal domein is dat anders. Daar is minder vaak contact mee en de samenwerking wordt ook minder positief beoordeeld. Juist daar ligt nog werk, zeker nu zorg en ondersteuning steeds meer samen moeten optrekken rond thuiswonende cliënten.
Een ander opvallend punt uit het onderzoek gaat over indicatiestelling. Zeven op de tien indicerende zorgprofessionals kennen het vernieuwde Normenkader Indicatieproces. Maar in de praktijk wijkt het werk daar nog geregeld van af. Zo stellen ook verzorgenden en mbo-verpleegkundigen indicaties, terwijl het normenkader dat niet toestaat. Ook heeft minder dan de helft van de indicerende professionals de vereiste training vakbekwaam indiceren gevolgd.
De algemene conclusie van het rapport is duidelijk. Een deel van de aanbevelingen voor passende inzet van wijkverpleging is al zichtbaar in de praktijk. Vooral bij hulpmiddelen en samenwerking in de eerste lijn zijn stappen gezet. Maar op andere punten is nog veel te winnen. Dat geldt vooral voor intervisie, taakverschuiving, samenwerking met het sociaal domein en het werken volgens het Normenkader. In 2027 wordt het onderzoek herhaald.
Bron: Nivel