- 07-08-2026
- NIEUWS
Mensen met ernstige psychische problemen verliezen te vaak hun begeleiding wanneer zij van zorgvorm, woonplek of juridisch kader wisselen. Daardoor nemen de risico’s op terugval, crisisopname, dakloosheid en contact met politie of justitie toe. Dat staat in het rapport Blijvend nabij van de Nederlandse ggz.
Het rapport pleit voor geïntegreerde teams waarin ggz, gemeenten, woningcorporaties, politie, justitie en het sociaal domein samenwerken. Professionals moeten begeleiding kunnen voortzetten zonder nieuwe verwijzing, wachtlijst of overdracht.
Ontvang gratis onze zorgberichten in je mailbox.
Je kunt je op elk moment afmelden via de link onderaan de e-mails die je ontvangt.
Wil je graag weten hoe onze nieuwsbrief eruit ziet? Bekijk hier het archief.
Nederland telt naar schatting 250.000 volwassenen met een ernstige psychiatrische aandoening, ook wel EPA genoemd. Ongeveer een kwart van deze groep, circa 62.500 mensen, ontvangt geen zorg en is buiten beeld van de ggz.
Volgens het rapport vormen ongeveer 1.500 mensen met EPA een mogelijk veiligheidsrisico voor anderen. Tussen de 24.000 en 60.000 mensen vormen vooral een risico voor zichzelf. Deze cijfers laten zien dat onbegrepen gedrag niet automatisch een veiligheidsprobleem voor de omgeving is. Bij een veel grotere groep gaat het om zelfverwaarlozing, suïciderisico, verslaving, verlies van huisvesting of lichamelijke gezondheidsproblemen.
De problemen stapelen zich vaak op. Naar schatting heeft 40 procent van de EPA-groep een licht verstandelijke beperking. Tussen de 20 en 50 procent heeft een verslaving en 80 procent heeft geen betaalde baan. De levensverwachting ligt gemiddeld 14 tot 20 jaar lager dan bij de algemene bevolking.
De onderzoekers beschrijven vier terugkerende patronen in de zorgketen.
Zorgjob schreef eerder over waarom extra personeel de wachtlijsten in de ggz niet heeft opgelost. Ook het nieuwe rapport concludeert dat de problemen niet alleen met personeelsuitbreiding zijn op te lossen. Financiering, huisvesting en samenwerking bepalen mede of beschikbare zorg de juiste mensen bereikt.
Het gebrek aan woonruimte vormt een belangrijk knelpunt. Bij een gemiddelde verblijfsduur van twee jaar zouden jaarlijks 3.980 corporatiewoningen nodig zijn voor mensen die uit beschermd wonen op grond van de Wmo kunnen uitstromen. In 2023 kwamen hiervoor slechts 1.320 woningen beschikbaar. Dat geeft een tekort van ongeveer 2.660 woningen per jaar.
Volgens het rapport helpt uitbreiding van crisisbedden weinig als cliënten daarna nergens naartoe kunnen. De druk verschuift dan naar een andere plek in de keten. Ook een woning alleen is niet voldoende. Mensen moeten ondersteuning kunnen krijgen bij terugval, administratie, schulden, verslaving en contacten met instanties.
Housing First, FACT, ForFACT en bemoeizorg kunnen terugval en dakloosheid beperken. Deze vormen van ondersteuning hebben volgens de onderzoekers alleen onvoldoende capaciteit en bereik.
De kern van het rapport is dat begeleiding moet meebewegen met de cliënt. Nu stopt ondersteuning regelmatig bij ontslag uit een kliniek, verhuizing, het einde van detentie of een overgang van de Zorgverzekeringswet naar de Wmo of Wlz.
Juist tijdens deze overgangen neemt de kwetsbaarheid toe. Cliënten moeten nieuwe hulpverleners leren kennen, opnieuw hun verhaal vertellen en vaak zelf afspraken, aanvragen en documenten regelen. Dat is lastig voor mensen die moeite hebben met plannen, informatie verwerken of het overzien van gevolgen.
Het rapport pleit daarom voor een vaste zorgrelatie die overgangen overbrugt. Een warme overdracht betekent dan niet alleen dat informatie wordt doorgestuurd. De betrokken professional blijft actief totdat de volgende ondersteuning daadwerkelijk is gestart.
In totaal beschrijft het rapport achttien bouwstenen voor brede bemoeizorg. Negen daarvan zijn volgens de onderzoekers minimaal nodig om het systeem structureel te verbeteren.
De vijf belangrijkste bouwstenen zijn:
Daarnaast zijn vier voorwaarden nodig:
Ervaringsdeskundigheid, vroegsignalering, herstelacademies, samenwerking met woningcorporaties en gezamenlijke gegevensregistratie kunnen de aanpak verder versterken.
Als eerste stap adviseert het rapport één geïntegreerd team voor outreachende zorg en bemoeizorg, betaald vanuit de Wmo en de Zorgverzekeringswet. Deze aanpak moet binnen twee tot drie jaar uitvoerbaar zijn.
Een sociaal wijkteam dat merkt dat een cliënt terugvalt, zou dan dezelfde dag een psychiater, sociaal psychiatrisch verpleegkundige, woonbegeleider en ervaringsdeskundige kunnen inschakelen. De cliënt krijgt hulp zonder eerst een nieuwe verwijzing of indicatieprocedure te doorlopen.
Op langere termijn moet ook de Wlz aan deze gezamenlijke aanpak worden toegevoegd. Volledige integratie van Wmo, Zorgverzekeringswet en Wlz geldt als streefmodel voor de komende vijf jaar.
De onderzoekers schatten dat een geïntegreerd team met financiering vanuit de Wmo en Zorgverzekeringswet jaarlijks 180 tot 240 miljoen euro kan besparen. De extra kosten worden geraamd op 100 tot 150 miljoen euro. Het mogelijke positieve saldo ligt daarmee tussen 30 en 140 miljoen euro per jaar.
Bij volledige integratie, inclusief de Wlz, worden de besparingen geraamd op 223 tot 290 miljoen euro. Daar staan 200 tot 300 miljoen euro aan extra kosten tegenover. Het saldo kan daardoor variëren van 77 miljoen euro negatief tot 90 miljoen euro positief.
Het gaat om berekeningen op basis van aannames, registraties en inschattingen van deskundigen. Het rapport adviseert daarom om de aanpak in minimaal vijf verschillende regio’s te testen. Daarbij wordt uitgegaan van een gezamenlijk budget van 12.000 tot 18.000 euro per cliënt per jaar.
Het rapport waarschuwt voor beleid waarbij gemeenten en professionals meer mensen signaleren, zonder extra behandelcapaciteit en directe opvolging te regelen. Meer meldingen zonder beschikbare hulp leiden tot frustratie bij cliënten en professionals. Ook kan de druk op politie, crisisdiensten en opvang toenemen.
Een nieuw meldpunt heeft volgens de onderzoekers weinig waarde als er geen team klaarstaat dat kan handelen. Signalering, behandeling, begeleiding en huisvesting moeten daarom tegelijk worden georganiseerd.
Voor professionals betekent de voorgestelde aanpak vooral dat zij sneller moeten kunnen samenwerken buiten de grenzen van hun eigen organisatie. Een terugval bij een cliënt is dan niet automatisch reden voor een nieuwe verwijzing of overdracht.
In de dagelijkse praktijk vraagt dit om:
De belangrijkste opdracht ligt volgens het rapport niet bij één beroepsgroep. Psychiatrische behandeling, woonbegeleiding, maatschappelijke ondersteuning en veiligheid moeten als één geheel rond de cliënt worden georganiseerd. Alleen dan kan worden voorkomen dat mensen tussen de verschillende voorzieningen verdwijnen.
Bron: Rapport Blijvend Nabij