- 31-07-2026
- NIEUWS

De gemiddelde leeftijd van patiënten bij de oefentherapeut is tussen 2021 en 2025 gestegen van 37 naar ruim 42 jaar. Ook komt een groeiend deel rechtstreeks naar de praktijk. In 2025 begon 59 procent van de patiënten zonder verwijzing aan een behandeltraject. In 2021 was dat nog 44 procent. Dat blijkt uit nieuwe jaarcijfers van het Nivel over de oefentherapeutische zorg.
Het rapport is gebaseerd op elektronisch geregistreerde gegevens van 44.193 patiënten. Zij kregen in 2025 zorg van 427 oefentherapeuten in 113 oefentherapiepraktijken en 82 fysiotherapiepraktijken. De onderzoekers analyseerden 33.106 nieuw gestarte en 33.206 afgesloten behandelepisodes.
Ontvang gratis onze zorgberichten in je mailbox.
Je kunt je op elk moment afmelden via de link onderaan de e-mails die je ontvangt.
Wil je graag weten hoe onze nieuwsbrief eruit ziet? Bekijk hier het archief.
De leeftijdsstijging is vooral zichtbaar bij reguliere oefentherapie. Daar nam de gemiddelde leeftijd toe van ruim 45 jaar in 2021 naar bijna 52 jaar in 2025. Bij kinder, psychosomatische en bekkenoefentherapie bleef de gemiddelde leeftijd vrijwel gelijk.
Binnen de geriatrische oefentherapie daalde de gemiddelde leeftijd juist van bijna 81 naar bijna 77 jaar. Het Nivel plaatst daar een kanttekening bij, omdat deze cijfers op een kleinere groep zijn gebaseerd. Het aantal geregistreerde patiënten binnen deze specialisatie liep op van 216 in 2021 naar 758 in 2025.
Van alle patiënten was 62 procent vrouw. Het aandeel vrouwen was met 88 procent het hoogst binnen de bekkenoefentherapie. Bij kinderoefentherapie zag de samenstelling er anders uit. Daar bestond de grootste groep uit jongens van 5 tot en met 11 jaar.
Het aandeel patiënten dat zonder verwijzing bij de oefentherapeut kwam, steeg in vier jaar van 44 naar 59 procent. De groei was het sterkst onder kinderen. Bij kinderen tot 5 jaar nam de directe toegang toe van 29 naar 70 procent. In de groep van 5 tot en met 17 jaar steeg het aandeel van 30 naar 64 procent.
Volgens de onderzoekers hangt deze stijging voor een deel samen met het vervallen van de verplichte verwijzing voor kinderoefentherapie op school. Ook bij volwassenen en binnen andere specialisaties nam de directe toegang toe. Bekkenoefentherapie kende in 2025 het hoogste aandeel directe toegang, bijna 82 procent. Binnen geriatrische oefentherapie was dit 26 procent.
Als er wel een verwijzing was, kwam die in 68 procent van de gevallen van de huisarts. De medisch specialist was bij 28 procent de verwijzer. Rechtstreekse toegang kan de route naar zorg verkorten en mogelijk de huisarts ontlasten. Het Nivel waarschuwt wel dat een registratie als directe toegang niet bewijst dat een patiënt vooraf geen contact met de huisarts heeft gehad.
De groei van directe toegang maakt screening en klinisch redeneren belangrijker. Oefentherapeuten moeten bij de eerste beoordeling alarmsignalen herkennen en bepalen of behandeling binnen de eigen praktijk past. De toegankelijkheid van fysio en oefentherapie staat tegelijk onder druk door kosten en vergoedingen. Zorgjob schreef daar eerder over in het artikel Toegang tot fysiotherapie onder druk, chronische zorg kwetsbaar.
De klachten verschillen sterk per specialisatie. Bij reguliere oefentherapie vormden psychosomatische aandoeningen met 11 procent de grootste groep. Daarna volgden spier, pees en fascieaandoeningen aan de lage rug met 9 procent en aan de nek met 8 procent.
Binnen kinderoefentherapie hield 95 procent van de nieuw gestarte trajecten verband met een achterstand of stoornis in de psychomotorische ontwikkeling. Bij psychosomatische oefentherapie ging 82 procent van de trajecten over psychosomatische aandoeningen. Binnen bekkenoefentherapie stond gynaecologie met 63 procent bovenaan.
De geriatrische oefentherapie kende een bredere verdeling. Spier, pees en fascieaandoeningen vormden 9 procent van de nieuwe trajecten. Ook een beroerte of centrale verlamming kwam uit op 9 procent. Parkinson en COPD waren ieder goed voor ongeveer 7 procent.
Van de patiënten bij wie de duur van de klacht was vastgelegd, kwam 57 procent pas na drie maanden of langer bij de oefentherapeut. Bij 27 procent bestonden de klachten al langer dan een jaar. Slechts 18 procent begon binnen twee weken na het ontstaan van de klacht aan een traject.
Bij 45 procent waren de klachten voor het eerste bezoek toegenomen. Deze uitkomsten vragen om voorzichtigheid. Bij bijna de helft van de nieuwe behandelepisodes was de duur of het beloop van de klacht niet geregistreerd. Het rapport kan daardoor niet aantonen waarom patiënten laat komen of welke invloed dit heeft op het behandelresultaat.
Een afgesloten traject binnen de reguliere oefentherapie telde in 2025 meestal vijf verrichtingen verspreid over negen weken. De helft van deze trajecten bestond uit drie tot negen verrichtingen en duurde drie tot 21 weken.
Bij kinderoefentherapie lag de omvang duidelijk hoger. Het middelste traject bestond uit 19 verrichtingen over 30 weken. Binnen geriatrische oefentherapie ging het om acht verrichtingen over 23 weken. De grote spreiding laat zien dat de zorgvraag per patiënt en specialisatie sterk kan verschillen.
Van alle geregistreerde verrichtingen vond 92 procent in de praktijk plaats en 7 procent bij de patiënt thuis. Geriatrische oefentherapie week daarvan af. Binnen deze specialisatie werd een kwart van de verrichtingen aan huis uitgevoerd.
Als de reden voor het einde van de zorg bekend was, werd 74 procent van de trajecten afgesloten omdat het behandeldoel was bereikt. Bij 13 procent stopte de patiënt zelf. In de registratie van het behandelresultaat stond bij 59 procent dat het doel was bereikt en bij 12 procent dat het doel deels was bereikt.
De volledigheid van de dossiers blijft een aandachtspunt. Bij bijna de helft van de afgesloten behandelepisodes ontbrak de reden van beëindiging of het behandelresultaat. Daardoor geven de gunstige percentages geen compleet beeld van alle afgesloten trajecten.
In 59 procent van de afgesloten behandelepisodes was minimaal één meetinstrument geregistreerd. In 2021 was dit 55 procent. De Patiënt Specifieke Klachten en de Numeric Pain Rating Scale werden breed gebruikt.
Per specialisatie kwamen ook gerichte instrumenten naar voren. De Movement Assessment Battery for Children werd bij 70 procent van de gemeten kindertrajecten gebruikt. Binnen psychosomatische oefentherapie stond de Vierdimensionale Klachtenlijst met 44 procent bovenaan. Bij bekkenoefentherapie werd de Quebec Back Pain Disability Scale in 17 procent gebruikt. Binnen geriatrische oefentherapie was de 6 minuten wandeltest met 10 procent het meest gebruikte specifieke instrument.
De stijgende leeftijd binnen reguliere oefentherapie kan leiden tot meer patiënten met meerdere aandoeningen, medicatiegebruik en beperkingen in het dagelijks functioneren. Het rapport heeft dit niet onderzocht, maar de ontwikkeling maakt afstemming met huisartsen, fysiotherapeuten en andere zorgverleners wel relevanter.
De toename van directe toegang vraagt om een goede eerste screening en duidelijke afspraken over terugverwijzen. Het hoge aandeel psychosomatische klachten onderstreept daarnaast het belang van een brede benadering waarin lichamelijke, mentale en sociale factoren samen worden beoordeeld.
Voor praktijken ligt er ook een concrete registratietaak. De cijfers over klachtenduur, beloop en behandelresultaat zijn bij een groot deel van de trajecten onvolledig. Betere vastlegging maakt het mogelijk om de kwaliteit en doelmatigheid van oefentherapie nauwkeuriger te volgen.
De registratie bevat gegevens van deelnemende praktijken en omvat volgens het rapport 8,6 procent van de eerstelijns oefentherapiepraktijken en bijna 25 procent van de oefentherapeuten in Nederland. De cijfers beschrijven de zorg binnen deze groep en zijn geen telling van alle patiënten in Nederland.
Vanaf dit rapport zijn ook oefentherapeutische behandelingen binnen deelnemende fysiotherapiepraktijken meegenomen. Verder onderscheidt het Nivel vijf typen oefentherapie. De trendcijfers voor 2021 tot en met 2025 zijn opnieuw volgens deze methode berekend. Vergelijking met eerder gepubliceerde jaarrapporten is daardoor niet betrouwbaar.
Bron: Nivel