- 22-07-2026
- NIEUWS
Zeventig ouderenzorgorganisaties beginnen een kort geding tegen het Wlz-inkoopbeleid voor 2027 tot en met 2029. Zij vinden dat de nieuwe tarieven en mogelijke kortingen te veel financiële onzekerheid veroorzaken. Daardoor kunnen investeringen in personeel, zorgvastgoed, verduurzaming en technologie onder druk komen te staan.
De procedure richt zich tegen de zorgkantoren van VGZ, Zilveren Kruis, CZ, Menzis, Zorg en Zekerheid en Salland. Branchevereniging ActiZ ondersteunt de betrokken leden, maar is zelf geen partij in de rechtszaak.
Ontvang gratis onze zorgberichten in je mailbox.
Je kunt je op elk moment afmelden via de link onderaan de e-mails die je ontvangt.
Wil je graag weten hoe onze nieuwsbrief eruit ziet? Bekijk hier het archief.
De zorgorganisaties vragen de rechter om te beoordelen of het inkoopbeleid voldoende voorwaarden biedt voor toegankelijke, betaalbare en toekomstbestendige ouderenzorg. Het gaat niet alleen om de financiële positie van zorginstellingen. De uitkomst kan ook gevolgen hebben voor bewoners, cliënten en zorgprofessionals.
De Wet langdurige zorg, Wlz, regelt intensieve en blijvende zorg voor mensen die permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig hebben. In de ouderenzorg gaat het vooral om kwetsbare ouderen met dementie, ernstige lichamelijke beperkingen of een combinatie van meerdere aandoeningen.
Zorgkantoren voeren de Wlz regionaal uit. Zij hebben een zorgplicht en moeten voldoende passende zorg inkopen. Daarvoor sluiten zij overeenkomsten met zorgaanbieders. In die overeenkomsten staan onder meer afspraken over tarieven, volumes, kwaliteit, samenwerking, zorg thuis, innovatie en vastgoed.
Het nieuwe inkoopbeleid geldt voor de periode van 2027 tot en met 2029. Zorgorganisaties moeten zich op basis van dit beleid inschrijven en contractafspraken maken met het zorgkantoor in hun regio.
Vanaf 2027 gebruiken de zorgkantoren een aangepast landelijk tariefmodel. Zorgaanbieders worden ingedeeld in groepen met een vergelijkbaar zorgaanbod en een vergelijkbare bedrijfsvoering. Binnen de sector verpleging en verzorging wordt onder meer onderscheid gemaakt tussen organisaties die vooral extramurale zorg leveren, organisaties die hoofdzakelijk een volledig pakket thuis aanbieden en organisaties met intramurale verpleeghuiszorg.
Voor iedere groep wordt een vertrektariefpercentage berekend. Dat percentage vormt het uitgangspunt voor de onderhandelingen. Het is geen gegarandeerd minimumtarief. Een zorgkantoor kan uiteindelijk een hoger of lager percentage afspreken.
De definitieve vertrektariefpercentages voor 2027 zijn nog niet bekend. Volgens het gepubliceerde beleid van Zilveren Kruis worden deze uiterlijk op 4 september 2026 bekendgemaakt. De berekening wordt gebaseerd op declaratiegegevens en de jaarrekeningen over 2025.
Dat betekent dat zorgorganisaties zich moeten voorbereiden op contractering terwijl een belangrijk deel van de financiële uitkomst nog niet vaststaat. Volgens de organisaties maakt dit het moeilijk om betrouwbare begrotingen en investeringsplannen op te stellen.
Het inkoopbeleid biedt zorgkantoren de mogelijkheid om bij bepaalde bestaande zorgaanbieders een tarief af te spreken dat twee procentpunt onder het landelijke vertrektarief ligt. Dat kan volgens het beleid gebeuren wanneer een aanbieder:
Ook nieuwe zorgaanbieders kunnen met een lager tarief starten. Zorgkantoren stellen dat nieuwe aanbieders vaak nog minder bijdragen aan regionale samenwerking of slechts een beperkt deel van het totale zorgaanbod leveren.
De zorgorganisaties vrezen dat deze criteria niet altijd voldoende rekening houden met verschillen tussen instellingen. Een positief financieel resultaat betekent bijvoorbeeld niet automatisch dat er geld over is. Een deel kan nodig zijn voor nieuwbouw, renovatie, verduurzaming, financiële buffers of vervanging van verouderde installaties.
Een belangrijk onderdeel van het conflict is de normatieve huisvestingscomponent, meestal afgekort tot NHC. Dit is het deel van de Wlz-vergoeding dat bedoeld is voor gebouwen, onderhoud, rente, renovatie, vervangende nieuwbouw en andere huisvestingskosten.
De Nederlandse Zorgautoriteit verhoogde deze vergoeding vanaf 2026 met ongeveer 13 procent. Uit onderzoek bleek dat de eerdere vergoeding onvoldoende aansloot bij gestegen bouwkosten, rentelasten en de investeringen die zorginstellingen moeten doen.
De zorgkantoren schrijven in hun beleid dat zij 100 procent van het NZa-tarief voor de NHC en de normatieve inventariscomponent blijven vergoeden. Tegelijk passen zij het algemene tariefmodel aan om een volgens hen bestaande overlap tussen financieringslasten en vastgoedvergoedingen weg te halen.
Volgens de procederende zorgorganisaties wordt de verhoging van de NHC daardoor voor een belangrijk deel weer ongedaan gemaakt. Zij vrezen dat de totale financiële ruimte voor vastgoed nauwelijks groeit, terwijl de kosten van bouw, onderhoud, brandveiligheid en verduurzaming wel zijn gestegen.
Veel verpleeghuizen en woonzorglocaties zijn verouderd. Gebouwen moeten worden aangepast aan zwaardere zorgvragen, dementiezorg, hitte, brandveiligheid en nieuwe woonvormen. Ook moet de ouderenzorg verduurzamen en het energieverbruik terugdringen.
Tegelijk verandert de vraag naar ouderenzorg. Ouderen blijven langer thuis wonen en komen later in een verpleeghuis terecht. Bij opname is de zorgvraag vaak complexer. Bewoners hebben meer medische, verpleegkundige en persoonlijke ondersteuning nodig en verblijven gemiddeld korter.
Daarom is niet alleen nieuwbouw nodig. Organisaties moeten ook investeren in flexibele woonzorglocaties, zorgtechnologie, hulpmiddelen, domotica en voorzieningen waarmee intensieve zorg thuis kan worden geleverd.
Op Zorgjob.nl is eerder beschreven dat een kortere verblijfsduur niet betekent dat de druk op de ouderenzorg afneemt. De zorg verschuift naar huis, terwijl de cliënten die wel worden opgenomen vaak intensievere zorg nodig hebben.
De Benchmark Langdurige Zorg 2026 van BDO laat zien dat de ouderenzorg over 2025 een positief resultaat behaalde. Het totale resultaat daalde wel met ongeveer 20 procent naar 783,6 miljoen euro. Het gemiddelde rendement kwam uit op 2,7 procent.
Volgens BDO geven deze cijfers geen volledig beeld. Veel zorginstellingen gebruiken oudere gebouwen die grotendeels zijn afgeschreven. Daardoor zijn de huidige kapitaallasten laag. Dat levert tijdelijk een positief vastgoedresultaat op, terwijl de zorgverlening zelf financieel onder druk kan staan.
Zodra organisaties oude gebouwen vervangen, stijgen de rente, afschrijvingen en andere huisvestingskosten. Een zorginstelling die nu financieel gezond lijkt, kan na renovatie of nieuwbouw aanzienlijk hogere lasten krijgen.
In 2025 steeg het netto-investeringsvolume in de ouderenzorg naar 363,2 miljoen euro. Toch blijft volgens BDO een grote vernieuwingsopgave bestaan. Meer hierover staat in het eerdere artikel BDO: langdurige zorg verliest 5.000 zorgprofessionals in één jaar.
Een lager tarief leidt niet automatisch tot minder personeel. Zorgorganisaties bepalen zelf hoe zij hun budget inzetten. Wanneer inkomsten structureel achterblijven bij de kosten, moeten zij echter keuzes maken. Die keuzes kunnen op de werkvloer merkbaar worden.
Voor verpleegkundigen, verzorgenden en helpenden is vooral de personele bezetting belangrijk. Wanneer een organisatie minder financiële ruimte heeft, wordt het moeilijker om extra collega's in te zetten, uitval op te vangen en voldoende tijd voor bewoners vrij te houden.
Ook behandelaren kunnen gevolgen merken. Bewoners komen later naar het verpleeghuis en hebben vaker complexe problemen. Dat vergroot de behoefte aan specialisten ouderengeneeskunde, verpleegkundig specialisten, psychologen, fysiotherapeuten en ergotherapeuten. Beperkte financiële ruimte kan de uitbreiding van deze behandelcapaciteit vertragen.
De zorgkantoren hebben een andere verantwoordelijkheid dan zorgaanbieders. Zij moeten voldoende Wlz-zorg inkopen, maar moeten ook bewaken dat het beschikbare publieke geld doelmatig wordt besteed.
Met het nieuwe beleid willen zij verschillen tussen typen zorgaanbieders beter meenemen. Ook willen zij regionale samenwerking, passende zorg, reablement, digitale ondersteuning en zorg thuis stimuleren.
Het beleid gaat uit van het principe dat professionele zorg alleen wordt ingezet wanneer iemand iets niet zelf, met hulp van naasten of met digitale ondersteuning kan. Zorgorganisaties moeten daarnaast meer samenwerken met gemeenten, woningcorporaties, welzijnsorganisaties en andere zorgaanbieders.
De inhoudelijke ambities worden door de procederende organisaties niet afgewezen. Hun bezwaar richt zich vooral op de combinatie van hoge verwachtingen en financiële onzekerheid. Organisaties moeten investeren en veranderen, maar weten volgens hen onvoldoende welk budget daarvoor beschikbaar blijft.
Ook over het inkoopbeleid voor 2024 tot en met 2026 voerden ouderenzorgorganisaties rechtszaken tegen dezelfde zorgkantoren. De rechtbank Den Haag oordeelde in oktober 2023 dat het beleid grotendeels mocht blijven bestaan.
De rechter stelde wel duidelijke grenzen. Zorgkantoren moeten reële tarieven betalen en de berekening daarvan moet transparant en uitlegbaar zijn. Zorgaanbieders moesten bovendien ieder jaar bezwaar kunnen maken tegen het richttarief en de onderbouwing daarvan.
Bij vier zorgkantoren werd daarnaast een onderdeel van het beleid verboden waarbij een historisch laag tarief opnieuw als uitgangspunt werd gebruikt. De zorgkantoren hadden onvoldoende aangetoond dat zo'n oud tarief nog steeds reëel was.
Deze eerdere uitspraken zijn relevant voor het nieuwe kort geding. De rechter zal waarschijnlijk opnieuw kijken naar de onderbouwing van de tarieven, de transparantie van het model, de mogelijkheid om bezwaar te maken en de vraag of organisaties met het aangeboden tarief doelmatige zorg kunnen leveren.
In het nieuwe beleid staat een hardheidsclausule. Een zorgaanbieder kan daarop een beroep doen wanneer het tarief onverwacht en onredelijk nadelig uitpakt en aantoonbaar niet kostendekkend is.
De aanbieder moet dan onderbouwen dat de zorg doelmatig wordt geleverd en dat verdere operationele verbeteringen onvoldoende oplossing bieden. Het zorgkantoor kan daarbij kijken naar het eigen vermogen, financiële reserves, de organisatiestructuur en het perspectief voor de langere termijn.
Voor zorgorganisaties is de vraag of deze clausule voldoende bescherming biedt. Een individuele aanvraag kost tijd en vraagt veel financiële informatie. Daarnaast geeft een uitzondering achteraf minder zekerheid dan een vooraf vastgesteld tarief waarmee een organisatie een meerjarenbegroting kan maken.
De zeventig organisaties vragen de rechter om het beleid voor 2027 tot en met 2029 te toetsen. Hun doel is dat het inkoopbeleid voldoende ruimte biedt voor:
Voor zover bekend zijn de namen van alle zeventig deelnemende organisaties, de volledige dagvaarding en de datum van de zitting nog niet openbaar gemaakt. Ook de definitieve tarieven voor 2027 zijn nog niet gepubliceerd.
De voorzieningenrechter kan bepalen dat onderdelen van het inkoopbeleid moeten worden aangepast. De rechter kan bijvoorbeeld eisen stellen aan de tariefberekening, de onderbouwing, de bezwaarprocedure of de toepassing van kortingen.
De rechter kan het beleid ook grotendeels in stand laten. In dat geval moeten zorgorganisaties binnen de bestaande procedure contractafspraken maken en eventueel individueel een beroep doen op de hardheidsclausule.
Een kort geding geeft een voorlopig oordeel. Partijen kunnen daarna nog een bodemprocedure beginnen of in hoger beroep gaan. Omdat de contractering voor 2027 binnen enkele maanden moet worden afgerond, is een snelle uitspraak belangrijk.
De rechtszaak gaat formeel over tarieven en contractvoorwaarden, maar de gevolgen kunnen breder zijn. De ouderenzorg moet tegelijk omgaan met vergrijzing, personeelstekorten, hoog ziekteverzuim, zwaardere zorgvragen, verouderde gebouwen en de verschuiving naar zorg thuis.
Daarvoor zijn stabiele afspraken nodig. Zorgorganisaties moeten jaren vooruit kunnen plannen wanneer zij een locatie bouwen, medewerkers opleiden of technologie invoeren. Zorgkantoren moeten tegelijkertijd voorkomen dat tarieven hoger zijn dan nodig en moeten bewaken dat het beschikbare Wlz-budget eerlijk wordt verdeeld.
De rechter moet beoordelen of het nieuwe inkoopbeleid die belangen voldoende met elkaar verbindt. Voor zorgprofessionals is vooral van belang of organisaties genoeg ruimte houden om veilige zorg te leveren, teams op sterkte te houden en noodzakelijke vernieuwingen uit te voeren.
Bron: ActiZ