- 24-07-2026
- NIEUWS
Het aantal jongeren in de gesloten jeugdhulp daalt verder. Op 1 april 2026 verbleven 350 jongeren in een gesloten jeugdhulpvoorziening. Een jaar eerder waren dat er 415. Dat betekent een afname van 65 jongeren, ofwel 15,6 procent. Ook het aantal beschikbare plaatsen nam af, van 533 naar 467.
De cijfers uit de nieuwe Monitor Gesloten Jeugdhulp van de Nederlandse Zorgautoriteit laten zien dat de landelijke afbouw doorzet. Achter de daling zit echter een tweede ontwikkeling. Jongeren die nog wel in JeugdzorgPlus terechtkomen, hebben vaak complexere hulpvragen en verblijven gemiddeld langer. Tegelijk melden onderzoeken dat passende open, ambulante en kleinschalige alternatieven nog niet overal beschikbaar zijn.
Ontvang gratis onze zorgberichten in je mailbox.
Je kunt je op elk moment afmelden via de link onderaan de e-mails die je ontvangt.
Wil je graag weten hoe onze nieuwsbrief eruit ziet? Bekijk hier het archief.
Voor zorgprofessionals is daarom niet alleen het aantal gesloten plaatsen relevant. De kwaliteit van de hulp vóór een mogelijke opname, de beschikbaarheid van alternatieven en de continuïteit na uitstroom bepalen of de afbouw voor jongeren werkelijk tot betere hulp leidt.
| Peildatum | Capaciteit | Jongeren in gesloten jeugdhulp | Bezettingsgraad | Capaciteit minus verblijf |
|---|---|---|---|---|
| 1 april 2025 | 533 plaatsen | 415 jongeren | 77,9 procent | 118 plaatsen |
| 1 april 2026 | 467 plaatsen | 350 jongeren | 74,9 procent | 117 plaatsen |
| Verschil | 66 plaatsen minder, min 12,4 procent | 65 jongeren minder, min 15,6 procent | 2,9 procentpunt lager | 1 plaats minder |
De daling van het aantal verblijvende jongeren is iets groter dan de afname van de capaciteit. Daardoor daalde de berekende bezettingsgraad van ongeveer 77,9 naar 74,9 procent. Op beide peildata was het verschil tussen de landelijke capaciteit en het aantal verblijvende jongeren ongeveer even groot.
Dat verschil betekent niet automatisch dat er overal direct een passende plek vrij was. Een plaats kan zich in de verkeerde regio bevinden, tijdelijk niet inzetbaar zijn door personeelstekort of niet aansluiten bij de leeftijd, veiligheid en behandeling die een jongere nodig heeft. Landelijke capaciteit zegt daarom weinig over de feitelijke beschikbaarheid voor een individuele jongere.
De NZa-monitor is een momentopname. De meting laat zien hoeveel capaciteit er op 1 april was en hoeveel jongeren er op die dag verbleven. De factsheet JeugdzorgPlus 2025 van Jeugdzorg Nederland gaat over een heel kalenderjaar. Daarin worden alle plaatsingen en alle uniek geplaatste jongeren geteld.
De cijfers kunnen daarom niet rechtstreeks bij elkaar worden opgeteld. Samen geven ze wel een duidelijk beeld. De instroom en het aantal jongeren in zorg nemen af, terwijl de groep die nog wordt geplaatst gemiddeld zwaardere en langduriger hulp nodig heeft.
De Monitor JeugdzorgPlus werd eerder uitgevoerd door de Jeugdautoriteit. De NZa zet deze monitor sinds 1 januari 2026 voort en brengt de ontwikkeling van de capaciteit en het aantal plaatsingen ieder kwartaal in beeld.
De toezichthouder wil de monitor op termijn uitbreiden met meer informatie over de ontwikkeling en beschikbaarheid van alternatieven voor gesloten jeugdhulp. Dat is belangrijk, omdat een dalend aantal bedden nog niet laat zien of jongeren sneller passende hulp ontvangen en of die hulp in hun eigen regio beschikbaar is.
| Jaar | Aantal plaatsingen | Uniek geplaatste jongeren |
|---|---|---|
| 2021 | 1.182 | 1.034 |
| 2022 | 988 | 841 |
| 2023 | 893 | 768 |
| 2024 | 711 | 654 |
| 2025 | 656 | 569 |
Tussen 2021 en 2025 daalde het aantal plaatsingen met 44,5 procent. Het aantal uniek geplaatste jongeren nam in dezelfde periode met bijna 45 procent af. Alleen al tussen 2024 en 2025 daalde het aantal uniek geplaatste jongeren met 13 procent.
Deze afname past bij de landelijke afspraak om gesloten jeugdhulp af te bouwen en in 2030 zo dicht mogelijk bij nul gesloten plaatsingen te komen. Het beleid richt zich op hulp die zo thuis mogelijk wordt aangeboden, met minder uithuisplaatsingen en minder vrijheidsbeperking.
De afname van de instroom betekent niet dat de resterende trajecten eenvoudiger worden. Jeugdzorg Nederland meldt dat de gemiddelde verblijfsduur steeg van 6,8 maanden in 2024 naar 7,6 maanden in 2025. Dat is een toename van bijna 12 procent. Van de in 2025 beëindigde plaatsingen duurde 17 procent langer dan een jaar.
Volgens de factsheet hangt dit samen met een veranderende doelgroep. Nu een gesloten plaatsing langer wordt uitgesteld en minder vaak wordt ingezet, bestaat de resterende groep vaker uit jongeren met ernstige veiligheidsproblemen en complexe, langdurige hulpvragen. Ook een tekort aan geschikte vervolgplekken kan het verblijf verlengen.
De regionale verschillen zijn groot. In zorggebied Noord was de gemiddelde duur van beëindigde plaatsingen in 2025 6,3 maanden. In zorggebied Oost was dat 9,1 maanden. In Oost verbleef 21 procent langer dan een jaar, tegenover 7 procent in Noord. Dat wijst erop dat beschikbaarheid, doorstroom en inrichting van het regionale aanbod veel invloed hebben.
In 2025 vond 65 procent van de plaatsingen plaats met een spoedmachtiging. Jeugdzorg Nederland noemt hiervoor twee mogelijke verklaringen. Professionals proberen een gesloten plaatsing zo lang mogelijk te voorkomen. Tegelijk zijn passende alternatieven niet altijd op tijd beschikbaar. Een situatie kan daardoor verder escaleren totdat direct ingrijpen noodzakelijk wordt.
Dit percentage legt een belangrijk dilemma bloot. Minder reguliere plaatsingen is positief als eerdere hulp escalatie voorkomt. Het is ongunstig als jongeren pas toegang krijgen tot intensieve hulp wanneer de veiligheid acuut in gevaar is. Voor wijkteams, jeugdbeschermers, gedragswetenschappers, behandelaren en gemeenten ligt hier een gezamenlijke opdracht om eerder te analyseren en sneller maatwerk te organiseren.
Meer dan de helft van de nieuw geplaatste jongeren, 56 procent, verbleef vóór JeugdzorgPlus in een open jeugdhulpvoorziening. Twintig procent woonde thuis of zelfstandig met hulp. Acht procent kwam uit een andere gesloten omgeving, zoals de gesloten jeugd-ggz of een justitiële jeugdinrichting.
Na JeugdzorgPlus stroomde 43 procent uit naar een open jeugdhulpvoorziening. Achttien procent ging naar huis of zelfstandig wonen met hulp. Tien procent kwam opnieuw in een gesloten setting terecht.
De beweging van open hulp naar gesloten hulp en daarna weer terug naar een open voorziening laat zien hoe belangrijk de kwaliteit en draagkracht van open groepen zijn. Als een open voorziening onvoldoende deskundig personeel, behandelcapaciteit of stabiliteit heeft, neemt het risico op overplaatsing en escalatie toe.
In 2025 werd 70 procent van de plaatsingen volgens plan beëindigd. Een opvallende ontwikkeling is de stijging van het aantal trajecten dat eenzijdig door de jongere werd beëindigd, bijvoorbeeld doordat een jongere wegliep. Dit aandeel nam toe van 8 procent in 2024 naar 15 procent in 2025.
Jeugdzorg Nederland plaatst deze stijging mede in de context van minder vrijheidsbeperkende maatregelen. Meer bewegingsvrijheid vraagt om andere manieren om contact te houden, motivatie te versterken en voortijdige uitval te voorkomen. Zorgjob.nl schreef eerder over de praktische spanning tussen vrijheid en veiligheid in het artikel Open deuren in de zorg, lastige keuze voor zorgteams.
Een onderzoek van Fontys Sociale Studies uit mei 2026 vult de cijfers aan met ervaringen van jongeren en professionals. De onderzoekers hielden dertien semigestructureerde interviews, waarvan elf met professionals en twee met jongeren. Ook bezochten zij een gesloten groep en analyseerden zij een interne memo die was gebaseerd op gesprekken met zeven verwijzers.
Het onderzoek is uitgevoerd in één geanonimiseerde regio en heeft een beperkte onderzoeksgroep. De resultaten kunnen daarom niet zonder meer worden vertaald naar heel Nederland. De uitkomsten sluiten wel aan bij eerdere signalen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en bij de landelijke cijfers over spoed, verblijfsduur en doorstroom.
Professionals noemen in het Fontys-onderzoek het tekort aan passende alternatieven en maatwerk het grootste knelpunt. Open groepen kunnen jongeren met verslaving, wegloopgedrag, agressie of andere complexe problemen niet altijd opvangen. Soms is er geen plaats. Soms ontbreekt voldoende ervaren personeel. Gesloten jeugdhulp wordt dan niet gekozen omdat deze pedagogisch het beste past, maar omdat andere mogelijkheden zijn vastgelopen.
Volgens de geïnterviewde professionals beïnvloeden personeelstekorten, personeelswisselingen en hoge werkdruk de continuïteit en kwaliteit van de hulp. Dat speelt niet alleen op gesloten groepen, maar ook bij open voorzieningen, lokale teams en andere schakels in de jeugdhulp.
Een jongere met complexe problemen heeft juist baat bij vaste professionals die blijven, afspraken nakomen en contact houden wanneer de samenwerking moeilijk wordt. Veel wisselingen vergroten de kans dat informatie verloren gaat, vertrouwen opnieuw moet worden opgebouwd en signalen van escalatie te laat worden herkend.
De druk op medewerkers stond in 2026 ook centraal in het eerdere Zorgjob.nl-artikel over de landelijke actie in de jeugdzorg. Vakbonden wezen daarbij op personeelstekorten, hoog verzuim en structurele werkdruk. De afbouw van gesloten jeugdhulp vraagt dus niet alleen om nieuwe gebouwen of nieuwe zorgvormen, maar ook om voldoende ervaren mensen.
Fontys beschrijft ook problemen in de samenwerking. Organisaties werken volgens verschillende toegangseisen, financieringsstromen en verantwoordelijkheden. Daardoor kan een jongere tussen instellingen, gemeenten, onderwijs, jeugd-ggz en jeugdbescherming vastlopen.
Professionals ervaren dat gezamenlijke verantwoordelijkheid ontbreekt en dat niet altijd duidelijk is wie de regie voert. Kleinere gemeenten hebben daarbij een extra kwetsbare positie. Zij krijgen weinig te maken met een gesloten plaatsing en bouwen daardoor minder routine en specialistische kennis op.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kwam in 2024 tot een vergelijkbare conclusie. Volgens de inspectie waren er onvoldoende goede alternatieven voor jongeren met complexe problematiek. De beschikbare alternatieven waren bovendien niet altijd van voldoende kwaliteit. De nieuwe daling in 2026 maakt het daarom nodig om niet alleen de afbouw, maar ook de opbouw van alternatieven te meten.
Er bestaat geen alternatief dat voor iedere jongere werkt. Het Nederlands Jeugdinstituut benadrukt dat jongeren in JeugdzorgPlus verschillende problemen op meerdere leefgebieden hebben. Een gedeelde verklarende analyse moet daarom voorafgaan aan de keuze voor een hulpvorm.
Veelgenoemde alternatieven zijn:
Bij al deze vormen zijn stabiliteit, een vast team, betrokkenheid van ouders en netwerk, passend onderwijs en toegang tot specialistische behandeling bepalend. Alleen een kleinere of opener woonvorm is niet genoeg als dezelfde personeelstekorten, wachtlijsten en organisatorische schotten blijven bestaan.
De landelijke ambitie is om in 2030 zo dicht mogelijk bij nul gesloten plaatsingen te komen. De capaciteit daalde tussen april 2025 en april 2026 met 66 plaatsen. Bij een gelijkblijvend tempo zou het vanaf 467 plaatsen nog ruim zeven jaar duren om op nul uit te komen. Dat is geen voorspelling, maar een eenvoudige doortrekking van het laatste jaarcijfer.
De afbouw moet dus versnellen als nul het praktische eindpunt wordt. Tegelijk mag versnelling niet leiden tot jongeren die op wachtlijsten blijven staan, veelvuldig worden overgeplaatst of in open voorzieningen verblijven die hun hulpvraag niet aankunnen. De beschikbaarheid en kwaliteit van alternatieven moeten minimaal in hetzelfde tempo groeien als de gesloten capaciteit daalt.
De nieuwe NZa-cijfers laten een duidelijke afname zien van zowel gesloten capaciteit als het aantal verblijvende jongeren. Ook over meerdere jaren is bijna sprake van een halvering van het aantal plaatsingen. Dat is een belangrijke ontwikkeling voor een sector die minder vrijheidsbeperking en meer thuisnabije hulp wil bieden.
De jaarlijkse cijfers en de onderzoeken laten tegelijk zien waar het risico zit. De resterende groep heeft vaak complexe problemen, twee derde van de plaatsingen gebeurt met spoed en de gemiddelde verblijfsduur loopt op. Professionals signaleren tekorten aan passende alternatieven, ervaren personeel, ketenregie en stabiele vervolgplekken.
De volgende fase moet daarom niet alleen gaan over hoeveel gesloten plaatsen verdwijnen. Er moet ook zichtbaar worden hoeveel passende alternatieven beschikbaar komen, hoe snel jongeren daar terechtkunnen, hoe vaak overplaatsingen worden voorkomen en of jongeren thuis, op school en in hun netwerk duurzaam verder kunnen.
Bron: NZa